1965 Nieuwe wet op de jeugdbescherming
Van juridisch ingrijpen naar sociale hulp
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Het eerste Belgische wettelijke kader rond kinderbescherming was in 1912 tot stand gekomen. Na goed vijftig jaar was het behoorlijk aan herziening en update toe. De belangrijkste reden tot aanpassing was dat onder de wet van 1912 de kinderrechter pas in actie kon komen nadat er ‘een als misdrijf omschreven feit’ gepleegd was en bijvoorbeeld niet bij een problematische opvoedingssituatie of ander risico. Opnieuw kwam er een tergend traag wetgevingsproces op gang, met initiatieven vanaf 1947 en uitmondend in de wet op de jeugdbescherming van 1965. De socialist Piet Vermeylen, zoon van August Vermeylen, was toen minister van justitie. Mede onder invloed van de verklaring van de rechten van het kind uit 1959 werd gekozen voor bescherming van het kind, daar waar de wet van 1912 toch nog erg gericht was op bescherming van de samenleving. In lijn daarmee was er een verdere verschuiving van repressieve maatregelen naar opvoedkundige interventies. Zorg voor de jongere in eigen gezin, binnen de context van onderwijs en dergelijke moet voorrang krijgen op actie vanuit justitie.
De wet van 1965 bevatte het concept van ‘kind in gevaar’ waardoor het mogelijk is preventief in te grijpen, nog voor er feiten gepleegd zijn. Bovendien wordt er uitdrukkelijk gekozen om zoveel mogelijk begeleiding te geven, en zo weinig mogelijk zaken te behandelen binnen de gerechtelijke sfeer. Dat wordt wel omschreven als buitengerechtelijke bescherming.

Zo’n nieuwe benadering vroeg natuurlijk ook om nieuwe instrumenten en organisaties, en daarom voorzag de wet in de oprichting van een jeugdbeschermingscomité in elk gerechtelijk arrondissement (vanaf 1985 is dit de sociale dienst van de jeugdrechtbank). Die zijn een voortzetting van de patronagecomités uit de 19de eeuw en vormen een bevestiging van de toegenomen invloed van gedragswetenschappen in de jeugdzorg. Ze krijgen drie taken (cf. artikel 2 van de wet). In eerste instantie moeten ze in individuele gevallen preventieve maatregelen nemen, d.w.z. door sociale begeleiding het risico op criminaliteit verminderen. Hun tweede taak ligt in dezelfde lijn maar is gericht op algemene preventie, bijvoorbeeld op het vlak van alcoholmisbruik of spijbelen op school. De derde taak van de jeugdbeschermingscomités is de opvolging van en meewerken met dossiers die door het gerecht doorverwezen zijn. De jeugdrechter kan een zaak, ter opvolging, verwijzen naar dit comité. Zodoende kan een minderjarige buiten het juridische systeem blijven.
Belangrijk is ook dat die jeugdbeschermingscomités ook op verzoek van de ouders aan het werk konden gaan, als vrijwillige hulpverlening. In die situaties hoefde er geen sprake te zijn van een gerechtelijke uitspraak.

Verder voorziet de wet in het vervangen van de kinderrechtbank door de jeugdrechtbank (wat meer een kwestie van woorden dan van inhoud is) en het optrekken van de leeftijd van strafrechtelijke meerderjarigheid naar 18 jaar. Het is ook in deze wet dat de bekende terminologie uit de huidige jeugdzorg zijn intrede doet: moffers en possers. Moffers zijn jongeren die een als misdaad omschreven feit gepleegd hebben, possers zijn jongeren met een problematische opvoedingssituatie.

De wet van 1912 betekende een duidelijke verschuiving van straffen en repressie naar bescherming en (her)opvoeding. De wet van 1965 zet deze ontwikkeling door en legt nog meer de focus op sociale maatregelen.

Publicatiedatum: 23-07-2011
Datum laatste wijziging :11-11-2013
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
Literatuur
  • Vermeylen, Piet (1984), Een gulzig leven (autobiografie), Kritak, Leuven
  • Externe link Bracke, D. (2003), Het engelenhuis, (een jeugdboek over de jeugdbescherming), Davidsfonds, Leuven
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste