1912 Wet op de kinderbescherming
Carton de Wiart & import van sociale innovatie
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Het welzijn van kinderen en jongeren heeft steeds de aandacht gehad van denkers over sociaal beleid en sociaal werk. Bij aanvang van de Nieuwe Tijd schreven Juan Luis Vives en Karel de Vijfde er al over. De industriële revolutie en verstedelijking op het einde van de 19de eeuw maakten de situatie van kinderen en jongeren opnieuw erg schrijnend. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er aan een nieuw kader voor kinderbescherming gewerkt wordt. Bovendien waren bij de herziening in 1891 van de wet op de landloperij en bedelarij politiestraffen voor jongeren minder dan 16 jaar afgeschaft, zodat een aparte regeling noodzakelijker werd.

Al op 10 augustus 1889 bracht minister van justitie Jules Lejeune een wetsontwerp voor de kinderbescherming in de Kamer. Toch duurt het nog de wet van 15 mei 1912 voor er een nieuw kader voor kinderbescherming is. Dat kwam tot stand onder verantwoordelijkheid van Henry Carton de Wiart als minister van justitie. Daarnaast kwam er in 1914 een verbod op kinderarbeid en in 1916 een leerplicht. Samen moesten ze de verpaupering van de jeugd en overlast door jeugdcriminaliteit tegengaan.

De geldende wetgeving vóór de wet van 1912 was nog de code civil uit de tijd van de Franse revolutie. Deze legde alle macht en verantwoordelijkheid voor jongeren neer bij hun vader, de ‘pater familias’. Er was geen mogelijkheid voorzien om de ouderlijke macht te beperken. In een paar rechtszaken wordt daar wel op aangestuurd, en de wet van 1912 voorziet expliciet wel die mogelijkheid. Als de belangen van kind, ouder en samenleving niet meer op één lijn zitten en met name de ouder deel van het probleem vormt, kan die uit zijn ouderlijk macht gezet worden.

Het tweede luik van de wet was mogelijk nog belangrijker met de installatie van een kinderrechter. Henry Carton de Wiart was in 1904 tijdens een bezoek aan Chicago onder de indruk gekomen van de ‘children`s courts’, en bracht het idee van aparte kinderrechtbanken mee terug naar België. Die kinderrechters konden recht spreken over minderjarigen die zich misdroegen. Dat was dan echter geen strafrecht meer, er was immers maar strafrechterlijke meerderjarigheid vanaf 16 jaar. Wie jonger was, pleegde geen misdrijf maar een als misdrijf omschreven feit (MOF). Voorheen lag de klemtoon immers op straf, opsluiting en patronage. Nu spreekt men over schuld en sanctie. De rechter oordeelt ‘in het belang van het kind’ maar blijft wel binnen het juridisch strafkader. Hulpverlening kon enkel via het gerechtelijk apparaat worden ingeschakeld. Vanaf de jaren ‘20 kon daarvoor een appel gedaan worden op de sociale werkers, afgestudeerd in de specialisatie ‘Enfance’ (Kinderzorg).

Dit lijken voornamelijk aanpassingen van justitiële kaders, maar onderliggend was er een duidelijke verschuiving van straf en repressie naar bescherming en (her)opvoeding. Het denken verschoof zo van een individueel schuldmodel (die jongere is crimineel, is slecht) naar een maatschappelijk schuld- en ongevalmodel. Daarmee was echter het eindpunt van de ontwikkeling nog lang niet bereikt, in 1965 zou de wet een grondige update krijgen.

Publicatiedatum: 21-07-2011
Datum laatste wijziging :18-03-2016
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
Literatuur
  • Eliaerts, C. (2001), Zalven of slaan? Het eeuwige pendelen tussen hulp en straf in de jeugdbescherming. in C. Lis & H. Soly (Red.), Tussen dader en slachtoffer. Jongeren en criminaliteit in historisch perspectief (pp. 371-393). Brussel: VUB-Press.
  • Vanlandschoot, R. (2008), Sluit ze op ... jongeren in de criminaliteit 1400 tot nu. Leuven: Davidsfonds, p. 202 e.v.
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste