1850 Eerste Belgische krankzinnigenwet
Haussy, Guislain en Ducpétiaux
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Bij het begin van de 18de eeuw zorgden Philippe Pinel (1745-1826) en zijn leerling Jean-Etienne Esquirol (1772-1840) in Frankrijk voor een revolutie in het denken over de geestelijke gezondheidszorg. Het werk van Pinel kennen we nu vooral van het schilderij waarop te zien is hoe hij de krankzinnigen in het Hôpital de la Salpêtrière (Parijs) uit hun ketens liet bevrijden. Hij kreeg er daar een standbeeld voor!
Maar hun invloed is groter dan dit beeld laat zien. Ze zorgden ervoor dat waanzin werd gezien als een behandelbare ziekte en niet langer een niet te behandelen noodlot of kwade wil van de persoon in kwestie. Instellingen ontwikkelden zich van plaatsen waar krankzinnigen opgesloten werden om hen uit de samenleving te halen, naar plaatsen waar via rust en regelmaat via de zogenaamde ‘morele behandeling’ gewerkt werd aan herstel en terugkeer naar de maatschappij. Het onderscheid tussen gevangenissen en psychiatrische instellingen groeide. De invloed van Pinel en Esquirol leidde in 1838 tot de Franse wet op krankzinnigenzorg, waarin een centrale rol weggelegd was voor het gesticht en artsen. Die konden zonder gerechtelijke tussenkomst personen laten opsluiten.

Het jonge België liet zich nog erg inspireren door wat in Frankrijk gebeurde en het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de eerste Belgische krankzinnigenwet in 1850 gelijk loopt met de Franse wet uit 1838. Ook met de Nederlandse krankzinnigenwet van 1841 zijn er inhoudelijke verwantschappen. Het was de liberale minister François-Philippe de Haussy (1789-1869) die in 1949 daartoe een wetsvoorstel bij de Kamer ingediend had. Kort nadien werd hij de eerste gouverneur van de Nationale Bank van België.
De wet was voorbereid door de ministeriële commissie voor Hoger Toezicht waarvan Jozef Guislain voorzitter was en Edouard Ducpétiaux secretaris-verslaggever. Guislain was toen al hoofdgeneesheer in Gent, Ducpétiaux was inspecteur-generaal van de gevangenissen en weldadigheidsinstellingen.
In de eerste Belgische krankzinnigenwet staat, net als in Frankrijk, de rol van het gesticht centraal en kan de arts krankzinnigen laten opsluiten. Voorheen moest dat via een rechtbank van eerste aanleg verlopen. Justitie had nu geen rol meer bij collocatie, wel moest het advies van de arts nog voorgelegd worden aan de burgemeester. Op die manier hoopte men zowel de samenleving te beschermen als waanzin als een behandelbare ziekte te benaderen, maar ook willekeurige opsluitingen te vermijden.

Met deze wet neemt de overheid enige verantwoordelijkheid op inzake geestelijke gezondheidszorg, maar het initiatief en beheer van instellingen bleef bij het privé-initiatief liggen. De overheid voorzag wel inspectie. Daartoe werd onder meer in 1851 via een organieke wet de Nationale Commissie voor Hoger Toezicht opgericht. Opnieuw zien we de namen van Guislain en Ducpétiaux opduiken als leden van deze commissie. Haar commissie leidt in 1873 tot beperkte herziening van de wet met onder andere versterking van de positie van de arts. Daarna zou de wet omzeggens ongewijzigd van kracht zijn tot 1990. Daarna is er de wet van 26 juni 1990 ter bescherming van de persoon met geesteszieke die collocatie terug via justitie laat lopen, met name via het vredegerecht.

Publicatiedatum: 02-03-2014
Datum laatste wijziging :18-03-2016
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
  • PDF document Demolder, J., & Pattyn, B. (1984), Het ontstaan van de psychiatrie in België. in P. Vandermeersch (Ed.), Psychiatrie, godsdienst en gezag. De ontstaansgeschiedenis van de psychiatrie in België als paradigma (pp. 153-169). Leuven: Acco
Literatuur
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste