2008 Coalitie voor Inclusie
Inclusie is een werkwoord
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
‘Erbij horen’, ‘gewaardeerd worden’, ‘nodig zijn’ – het is niet zo moeilijk uit te leggen dat dit onlosmakelijk hoort bij het menselijk bestaan. En bij wat wel een ‘inclusieve’ samenleving wordt genoemd, een samenleving waarin iedereen zijn plaats kan vinden, die uitnodigend is, mensen insluit. Daarvoor is de laatste jaren het begrip ‘inclusie’ in zwang gekomen. Dat is niet een passief of beschrijvend begrip, maar vooral een actief begrip, een werkwoord. Inclusie is iets waar mensen, organisaties, regeringen moeite voor moeten doen. Het is een inspanningsverplichting.
Want tegenover inclusie staat uitsluiting, exclusie. Dat is ook een actief begrip. Het gebeurt immers nog elke dag dat mensen buitengesloten worden, gediscrimineerd, aan de kant geschoven, gepest. Dat gaat vaak om heel subtiele processen, waarin mensen ‘gezellig onder elkaar zijn’ en daar dan anderen even niet bij kunnen gebruiken. Juist in de eigen groep – zo betoogde de Amerikaanse inclusie-wetenschapper Wolf Wolfensberger in The Principle of Normalization in Human Services (1972) – vindt door verdere marginalisering en stereotiepe beoordeling een afglijden op de maatschappelijke ladder plaats en de daarmee gepaard gaande armoede, vereenzaming en verlies van identiteit.

Inclusie, burgerschap en streven naar een gevarieerde samenleving zijn begrippen die onlosmakelijk verbonden zijn met wat wel de burgerrechtenbeweging wordt genoemd, die vooral haar wortels heeft in Noord-Amerika en waar naast Wolfensberger de namen John O’Brien (kwaliteit van leven) en Marsha Forest (de eerste die ‘inclusie’ als thema introduceerde) aan verbonden zijn. Ook de familie Kennedy – zus Rosemary had een verstandelijke beperking – zorgde er in de jaren zestig voor dat de rechten van mensen met een beperking meer onder de aandacht kwamen. De vernietigende kritiek van senator Robert Kennedy in 1965 op de Willowbrook-inrichting (6.000 bewoners) in New York droeg daar enorm aan bij.

In Nederland duurde het lang voordat de vonk oversloeg. Weliswaar had Feitse Boerwinkel, directeur van de sociale academie De Horst, eind jaren zestig al een soort bestseller (33.000 exemplaren) uitgebracht over Inclusief denken, maar dat was toch altijd meer een ethische gedachtegang dan een materiële praktijk gebleven. Waar vooral Angelsaksische landen rechten ook vastlegden, zoals in de American Disability Act en het beleid in landen als Australië, Nieuw-Zeeland en de Scandinavische landen consequent in het teken van inclusie kwam te staan, bleef Nederland achter.

Begin jaren negentig reisden groepen hulpverleners, politici, ouders en mensen met een handicap zelf af naar de VS en Canada. Zij maakten daar kennis met de inmiddels sterk ontwikkelde inclusie-beweging en waren onder de indruk van de praktische vertaling daarvan binnen onderwijs (inclusief onderwijs voor iedereen), wonen (individueel wonen voor iedereen) en werk (supported employment voor iedereen). Natuurlijk gebruikte het beleid in Nederland ook begrippen als ‘normalisatie’ en ‘vermaatschappelijking’. In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking kenden we het gedachtegoed van Ad van Gennep, met een pleidooi voor normaal burgerschap, maar in ons land was het toch vooral vernieuwing onder regie van de dominant aanwezige zorginstituties.

Pas de laatste jaren begint dit te veranderen. Er is – zij het vooralsnog in bescheiden Nederlandse proporties – een inclusie-beweging aan het ontstaan. In 2008 werd de Coalitie voor inclusie opgericht met als missie: een beweging te zijn van mensen en organisaties die het maatschappelijke draagvlak voor een inclusieve samenleving vergroot, beleid gericht op inclusie bevordert en uitsluiting van mensen tegengaat. En met als uitgangspunten: welkom zijn, versterken van eigen kracht van mensen, samen optrekken, interactief en proactief werken vanuit solidariteit en optimisme en oplossingsgericht zijn.

Het begrip inclusie komt daardoor steeds meer tot leven en duikt als analytisch kader op om een echte omslag in de zorg voor mensen met (verstandelijke) beperkingen mogelijk te maken. Het is een verandering van paradigma, zeggen de aanhangers. Het gaat gepaard met een ingrijpend veranderende opvatting over goede zorg en leven voor mensen met een fysieke, verstandelijke beperking of psychische stoornis. Het instituutsparadigma maakt plaats voor het burgerschapsparadigma of ook wel het ondersteuningsparadigma genoemd. Dit betekent dat we mensen met een beperking in de eerste plaats beschouwen als burgers die recht hebben op een geaccepteerde plek ín de samenleving en daar ook de mogelijkheden voor geboden krijgen, zonder dat daaraan allerlei voorwaarden of restricties aan worden gesteld. Inclusie en het daarmee verwante begrip empowerment vragen om een totaal andere organisatie van de ondersteuning en zorg. Of dat ook lukt in een tijdperk waarin marktwerking, bezuinigingen, efficiency en decentralisaties de politieke toon zetten is de vraag, nog even afgezien van het feit dat er nog steeds ook mensen zijn die zo hun twijfels hebben of een samenleving echt zorg wil dragen voor een goed leven voor mensen met beperkingen. Liever de rust van een voorziening dan de hectiek van de stad.

Toch lijkt de beweging naar een inclusieve samenleving onomkeerbaar. Hoewel het de voorstanders allemaal veel te traag gaat, zien steeds meer relevante partijen het belang van inclusie in. Ook de politiek lijkt er zoetjes aan gevoeliger voor te worden, waaraan een zeker opportunisme niet vreemd is. Inclusie kan immers ook een sloophamer zijn om dure zorgvoorzieningen te institutionaliseren. Maar het goede nieuws is dat het de discussie op scherp zet: als we iedereen consequent willen laten meedoen, moeten we daar ook de nodige rechten aan koppelen en voorzieningen voor creëren. Nederland heeft in dat opzicht nog steeds een forse achterstand in te halen, is ook de conclusie in ‘Europa’, waar Nederland steeds vaker wordt aangesproken op de noodzaak van een samenhangende visie op inclusie.

Publicatiedatum: 01-09-2012
Datum laatste wijziging :27-10-2014
Auteur(s): Hans Kröber, Erwin Wieringa,
Verwante vensters
Extra Persoonlijke Toekomst Planning
Een mooi voorbeeld van op inclusie gestoelde vormgeving van de zorg is de Persoonlijke Toekomst Planning (PTP). In Nederland is de aanpak relatief onbekend, maar in Amerika en Canada is het door de kracht van de inclusie- beweging behoorlijk verankerd. Daar is het bekend onder verschillende namen: Personal Futures Planning, MAPS, PATH, Circles of Support, met als verzamelnaam: Person Centered Planning. Kortgezegd is het een strategie waarbij samen met de persoon en de mensen die hij/zij daarvoor uitzoekt gesproken wordt over ‘Wie is de persoon nu eigenlijk?’ (los van labels, vooroordelen en andere ballast), ‘Wat zou een wenselijke zinvolle toekomst kunnen zijn?’ en ‘Wie gaat daarbij helpen om dat voor elkaar te krijgen?’ De planning vindt plaats op een plek waar de persoon zich veilig voelt. Het motto is: ‘Droom Groot en maak Kleine Stapjes.’ Er is een gespreksleider en iemand die ondersteunt met een grafische weergave van het besprokene. De methode is heel sterk values-driven waarbij een heldere, herkenbare positieve visie wordt ontwikkeld, gebaseerd op relatie(netwerk)ontwikkeling, bevordering van keuzes en controle en positieve sociale rollen, uitgaande van de talenten en mogelijkheden van de persoon. In de praktijk blijkt het een sterk stimulerend effect te hebben op het ontwikkelen van een ander zorgaanbod en een effectievere inzet van professionals.
Verder studeren
  • Externe link Commissie Samson (2010), Omringd door zorg, toch niet veilig. Amsterdam: uitgeverij Boom, ISBN: 9789461053251, oktober 2012, € 25,00.
  • Houten, Douwe van (2004), De gevarieerde samenleving. Over gelijkwaardigheid en diversiteit. Utrecht: De Tijdstroom.
  • Kröber, H.R.Th. & Verdonschot, M.M.L. (2012), Professionals en inclusieve praktijken. Een onderbelichte rol met kansen voor de toekomst. In:Nederlands Tijdschrift voor de Zorg aan mensen met verstandelijke beperkingen, 2- 2012, p.86-103.
  • Kröber, H.R.Th. en H. van Dongen (2011), Sociale Inclusie. Succes en Faalfactoren. Amsterdam: Boom/Nelissen.
  • Kröber, H.R.Th. (2008), Gehandicaptenzorg. Inclusie en organiseren.  Academisch Proefschrift Universiteit voor Humanistiek, Utrecht.
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste