1918Woonschool Zeeburgerdorp Van onmaatschappelijkheid tot Tokkies-amusement
Met de opeenhoping van mensen in sloppenwijken in de grote steden in de tweede helft van de negentiende eeuw groeide het besef dat niet alleen de woonomstandigheden moesten worden verbeterd, maar dat het volk ook hun slechte gewoonten moesten worden afgeleerd. Zo ontstond het idee van wonen onder toezicht als onderdeel van een beschavingsoffensief.
Na de woningwet van 1901 bouwden (vooral gemeentelijke) woningbouwverenigingen ook voor deze ‘ontoelaatbare gezinnen‘ woningen. Het toezicht kwam in handen van woningopzichteressen. Zij waakten over het gedrag, inden wekelijks de huur en zagen toe op zaken als een verbod op huisdieren of het drogen van de was in de woonkamer, een verplicht wekelijks bezoek aan het badhuis, het verplicht gebruik maken van de gemeenschappelijke wasgelegenheid voor het wassen van kledij.
Voor deze groep kwam de term onmaatschappelijkheid in zwang. In feite kwam de aanpak neer op gedwongen heropvoeding, vaak in aparte woonwijken. Zo ontstonden ‘inrichtingen voor het onderbrengen van toezicht vereischenden gezinnen’, later aangeduid als woonscholen, zoals de Zeeburgerdorp (1918) en Asterdorp (1927) in Amsterdam, Zomerhof te Den Haag (1921) en het Kerkwegcomplex in Utrecht (1925). Gelegen aan de rand van de steden werden het – ondanks alle goede bedoelingen - vanzelf achterbuurten, wie daar woonde deugde niet. Asocialen, zoals ze in de volksmond werden aangeduid.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er vanuit dezelfde filosofie ‘Gezinsoorden voor Moeilijk Opvoedbare Gezinnen’,, veelal geïsoleerd gelegen in landelijke gebieden van Drenthe en Overijssel. De zorg voor asociaal en onzedelijk gedrag groeide in de jaren van wederopbouw enorm. De bloeiperiode van de onmaatschappelijkheidsbestrijding is dus van relatief recente datum is: 1955-1965.
De jaren zestig en zeventig deden het tij keren. Het denken veranderde bijna 180 graden, vooral door het werk van Herman Milikowski, Lof der onaangepastheid (1967), waarin radicale kritiek werd uitgeoefend op deze paternalistische bevoogding. Het ging er niet om deze mensen de beschavingsles te lezen, maar juist in hun eigenheid te waarderen. Sinds die tijd wordt elke sociale interventie die riekt naar paternalisme al gauw geassocieerd met ‘de oude onmaatschappelijkheidsbestrijders’ als zijnde een achterhaalde fase in de ontwikkeling van het sociaal werk.
Feit is echter dat er al die jaren gezinnen/mensen zijn gebleven wiens gedrag niet echt aan de maat is. We zijn het alleen wat neutraler gaan benoemen: overlast. En keer op keer duikt er weer een variant op om deze mensen ergens te plaatsen: van degradatiewoningen (voor het eerst zo benoemd door een wethouder in Bergen op Zoom), via wooncontainers (vanaf 1993 een initiatief uit Kampen) tot het Amsterdamse project Skaeve Huse: een aparte woonvoorziening naar Deens voorbeeld voor mensen die in hun woonsituatie regelmatig overlast veroorzaken op een locatie waar ze anderen niet storen en onder toezicht van een professionele woonbegeleider.
Er is ook iets raars aan de hand. Niemand wil naast een asociaal gezin wonen, ze geven professionals en instanties handenvol werk, maar in de media kunnen ze worden omgetoverd tot dekselse rebellen. De romantische echo van Milikowski krijgt nogal eens een perverse vervorming. Zie de eindeloos herhaalde lotgevallen van de Familie Flodder, de heldenstatus die de Tokkies ooit wisten te bereiken en de SBS6-reeks over probleemwijken en het succes van de roman De helaasheid der dingen, waarin Dimitri Verhulst verhaalt van een in 'comazuipen' gespecialiseerde familie in het Vlaamse dorp Reetverdegem. Het boek is inmiddels verfilmd. Wat ooit onder de burgerij vooral afschuw wekte is in de mediacultuur tot vrolijk amusement verheven.