Van de Canon Maatschappelijke Opvang is een boek verschenen. Klik voor meer informatie op de cover hieronder:
1784Maatschappij tot Nut van `t Algemeen De noodzaak van volksontwikkeling
In de Nederlandse republiek was eind 18e eeuw een beweging op gang gekomen die sterk geloofde dat maatschappelijke kwalen genezen kunnen worden door een betere opvoeding en goed onderwijs voor de hele bevolking. Tegelijkertijd werd er – onder meer door de patriotten – steeds luider geroepen om politieke veranderingen. Tegen dat decor lanceerde een doopsgezind predikant te Monnickendam, Jan Nieuwenhuijzen, het initiatief om te komen tot een genootschap voor volksontwikkeling. Het doel was om mensen die daartoe zelf niet de mogelijkheid hadden, te helpen om kennis te verwerven door hen te voorzien van (school)boeken. De vereniging werd op 16 november 1784 in de doopsgezinde pastorie te Edam opgericht en kreeg als naam mee: Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
De Maatschappij vond snel weerklank en in heel het land werden tientallen ‘departementen’ van ‘t Nut opgericht. Later volgde de oprichting van departementen in Zuid-Nederland en Vlaanderen. De educatieve taken van het Nut werden na de onafhankelijkheid van België in Vlaanderen opgepakt en voortgezet door het in 1851 opgerichte Willemsfonds, thans gevestigd te Gent.
De Nutsdepartementen zetten zich in voor het stichten van kleuteronderwijs en lagere scholen, het uitgeven van (eenvoudige) schoolboeken en de oprichting van onderwijzersopleidingen (kweekscholen) en andere vormen van beroepsonderwijs. Daarnaast werden vele educatieve en andere voor de samenleving nuttige initiatieven genomen, zoals het stichten van bibliotheken, spaarbanken en verzekeringen, evenals initiatieven op het terrein van de maatschappelijke zorg (reclassering bijvoorbeeld) en het geven van cursussen op velerlei terrein. In de tweede helft van de 19e eeuw stimuleerde ’t Nut ook de eerste coöperatieve initiatieven op het terrein van de volkshuisvesting.
Veel leden van ’t Nut waren persoonlijk begaan met het lot van de armen. Eén van de vroege voormannen, Willem Hendrik Suringar, stelde in 1842 voor een patronaat in te voeren, waarbij elke welgestelde burger de verantwoordelijkheid zou nemen over een arme medeburger. In 1857 werd daartoe de handleiding voor het patronaat over armen gepubliceerd. Dat idee lijkt verrassend veel op het voorstel tot mentoraat dat in 2006 bovenaan de Sociale Agenda van de Volkskrant prijkte.
’t Nut stond als vereniging van vrijwilligers aan de wieg van talloze publieke en sociale voorzieningen (bijvoorbeeld basisscholen, bibliotheken en spaarbanken) in een periode dat de nationale staat nog maar een beperkte greep had op het maatschappelijk leven. De gelden van ’t Nut werden bijeengebracht door giften van de leden die doorgaans tot de plaatselijke notabelen behoorden. Mede door de opkomst van christelijke en socialistische bewegingen zijn in de loop van de 19e en 20e eeuw veel door ‘t Nut genomen initiatieven door de overheid en andere publiek gefinancierde organisaties voortgezet. Daarmee verdween ’t Nut als de grote motor achter de verheffing van het volk naar de achtergrond.
Maar de Maatschappij bestaat nog steeds. Nog steeds kent Nederland een vijftigtal Nutsbasisscholen, die zich kenmerken door een onafhankelijke opstelling ten opzichte van religieuze of andere levensbeschouwelijke stromingen. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen telt op dit moment ongeveer honderd plaatselijke departementen met in totaal ruim 10.000 leden. Het landelijk bureau is gevestigd in het oorspronkelijke woonhuis van Martinus Nieuwenhuijzen, de zoon van Jan, te Edam.