1596 Rasphuizen en spinhuizen
Van lijfstraf naar werkstraf
eerste   vorige   volgende   laatste

Het waren verwarrende tijden op het einde van de 16de eeuw: opstand tegen de Spaanse bezetter, de reformatie werd opgevolgd door de contrareformatie en er heerste armoede. Grote aantallen bedelaars en vagebonden trokken door het land. Schilderijen als De dulle griet van Pieter Bruegel en de wat oudere werken van Hieronymus Bosch brengen de verwarring van die tijd in beeld.
Het terugdringen van criminaliteit gebeurde via fysieke straffen. En die waren niet licht! Elke stad had wel een beul in dienst om lijfstraffen te voltrekken. Geselen, brandmerken, afhakken van ledematen of ophangen waren de standaard maatregelen tegen dieven, valsmunters of moordenaars. Lange gevangenisstraffen zoals we die nu kennen waren onbekend, men zat alleen kort in de gevangenis in afwachting van verhoor of straf.

Naar het einde van de 16de eeuw toe ontstaan geluiden dat lijfelijk straffen misschien niet de meest gepaste oplossing is. Die gedachte is verbonden met de naam van Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590) en zijn tekst Boeventucht. Die tekst schreef hij in 1567, maar verscheen pas in 1587 in druk. De kerngedachte van Coornhert was dat lijfstraffen weinig hielpen en dat dwangarbeid betere resultaten zou opleveren. Dwangarbeid kon de vorm krijgen van galeislaaf of inzet bij publieke werken. Dergelijke straffen zouden meer afschrikken en daarom beter het aantal landlopers en criminelen terugdringen. Coornhert was dus niet zozeer tegen lijfstraffen vanuit humanitair oogpunt, als wel vanuit de gedachte dat levenslang dwangarbeid verrichten effectiever zou zijn. Bovendien vormden tuchthuizen een handig middel om aan goedkope arbeidskrachten te geraken.

De stad Amsterdam volgde de ideeën van Coornhert en in februari 1596 opende men er het eerste tuchthuis. Dat verkreeg enkele jaren later het monopolie op brazielhout, dat in het tuchthuis geraspt werd tot poeder voor gebruik als oranje rode textielverf. Het tuchthuis kreeg dan ook al snel de naam rasphuis. Voor vrouwen was er het nabijgelegen spinhuis. Ook daar was arbeid het medicijn tegen criminaliteit en ledigheid. De tuchthuizen werden bevolkt door misdadigers, bedelaars en probleemjongeren. Het idee van tuchthuizen bleek erg populair, en verspreidde zich vanuit Amsterdam naar andere Nederlandse gemeenten (Leiden, Leeuwarden, Gouda) en het huidige Vlaanderen (bijvoorbeeld het dwinghuis in Antwerpen of het duchthuis in Brussel). Ook in het buitenland nam men het idee over (Duitsland, Zwitserland).

Later kregen tuchthuizen minder aandacht voor werk en vaardigheden, en meer voor vrijheidsstraffen. Michel Foucault introduceerde voor deze ontwikkeling de term ‘de grote opsluiting’. Zo vormden tuchthuizen de voorlopers van onze huidige gevangenissen. Het idee om gevangenistijd niet alleen als straf te zien, maar ook als tijd voor het uitbouwen van nieuwe kansen, leefde nog wel verder, en kreeg opnieuw vorm in de oprichting van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen (vanaf 1823), later doorgegroeid naar de huidige reclassering.
Tuchthuizen combineerden tewerkstelling met het bieden van nieuwe kansen en aanleren van nieuwe vaardigheden. Die combinatie zien we later nog terugkomen, bv. in de veenkoloniën, sociale werkvoorzieningen en begin deze eeuw in de ‘workfirst’ benadering in sociale activering of de Glen Mills-school voor criminele jongeren.

Publicatiedatum: 19-01-2009
Datum laatste wijziging :11-11-2013
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
  • Maarten van der Linde (2010), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, vierde druk. pp. 62-64.
Literatuur
Google Earth (Deze optie werkt alleen als Google Earth geïnstalleerd is)
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste