1920 Lager onderwijs wet en wetgeving voor buitengewoon onderwijs
Van buitengewone scholen naar passend onderwijs
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
"Wanneer (men) eenmaal een school voor zwakzinnigen inricht, dat wil zeggen een school systematisch in elkander gezet en waar het onder¬wijs toegaat als het voor zwakzinnigen zijn moet, dan voldoet die school niet aan de eischen van de wet op het lager onderwijs, en kan dus, zoolang de wet luidt als thans, niet be¬staan."
Minister Abraham Kuyper, 1905


De eerste decennia van beleidsontwikkeling voor kinderen die niet mee kunnen komen in het basisonderwijs lijkt vooral een proces van beleidsuitsluiting. Kort na de leerplichtwet werd in 1905 het onderwijs aan kinderen met leerproblemen buiten de lager onderwijswet van 1901 geplaatst. Hiermee werden niet alleen de zorgkinderen maar ook de financiering buiten de kaders van deze wet gehaald en werd het oprichten van speciale scholen vooralsnog overgelaten aan het particuliere initiatief. Hetzelfde gebeurde met de scholen voor blinde en dove kinderen bij de lager onderwijswet van 1857. Bewust beleid voor kinderen met verstandelijke of lichamelijke beperkingen bestond er toen nog niet er werd gezocht naar oplossingen buíten het gewoon lager onderwijs (glo). Letterlijk: het buitengewoon lager onderwijs (blo) was een feit.

Parallel onderwijssysteem
Ook de lager onderwijswet van 1920 laat deze aparte positie van het buitengewoon onderwijs binnen het toenmalige onderwijslandschap helder zien: de overheid koos voor een parallel onderwijssysteem waar ruimte geboden kon worden voor de ondersteuning van kinderen die niet mee konden komen. In de wet op het lager onderwijs werd het wettelijk recht op overheidsfinanciering bij het oprichten van het bijzonder - en openbaar lager onderwijs gelijk gesteld. De gemeenten moesten gaan voorzien in voldoende lager onderwijs. In de wet stond dat speciaal onderwijs gegeven werd in scholen “bestemd voor kinderen die wegens ziels of lichaamsgebreken of uit maatschappelijke oorzaak niet in staat zijn geregeld en met vrucht het gewone onderwijs te volgen of wier gedrag het noodzakelijk maakt hun buitengewoon onderwijs te doen geven”. Speciale scholen konden volgens artikel 4 daarvoor aangewezen worden. En een aparte inspecteur voor het blo, de schoolarts Adriaan van Voorthuijzen , werd aangesteld om te regelen dat de diverse typen speciale scholen onder de wet konden worden gebracht. Dat stond feitelijk in het aanvullende Koninklijk Besluit van 1923, maar in de realiteit pakte het anders uit.

Als eerste kwam in aanmerking het onderwijs aan ‘achterlijke kinderen’, de kinderen met een verstandelijke beperking. Dit type speciaal onderwijs bevatte de grootste groep leerlingen die niet mee konden komen in het gewoon lager onderwijs. Daarmee kwamen de scholen voor kinderen met leermoeilijkheden in aanmerking voor rijkssubsidie en vielen ze onder het regiem van eisen over bijvoorbeeld leerplan, schoolgebouw en klassengrootte. Dat gebeurde in 1923 ook voor de scholen voor dove, slechthorende en blinde kinderen. Daarna bleef het een tijdje stil ondanks de lobby voor uitbreiding naar meer schooltypen vanuit de Vereniging voor onderwijzers en artsen en ondanks de wettelijke plicht voor gemeenten om in voldoende lager onderwijs te voorzien. Dat was voor een groot deel te wijten aan de economische recessie en omdat de buitengewone scholen vanwege de kleinere klassen duurder waren dan de gewone lagere scholen. Het buitengewoon onderwijs werd een sluitpost op de onderwijsbegroting.

Koninklijke Besluiten
In 1930 volgde een nieuw Koninklijk Besluit (KB) gericht op scholen voor lichamelijk gebrekkige kinderen en scholen voor de zogenoemde ‘zedelijk gebrekkigen’ of ‘psychopaatjes’ . In 1949 werden bij KB ook de scholen verbonden aan pedologische instituten en de scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM), bedoeld voor kinderen met ‘partiële gebreken’, zoals dyslexie en dyscalculie. Het waren allemaal KB’s die gericht waren op specifieke groepen leerlingen en op die leerlingen gerichte regelingen. Deze differentiatie was op zich logisch. Kinderen met verschillende problemen hoorden niet op dezelfde school thuis. Onder het motto dat integratie in de samenleving pas kan plaatsvinden na gesegregeerd (= aangepast) onderwijs. Tegelijkertijd zorgde dit uitdijende aanbod van speciale scholen voor een explosieve groei in leerlingenaantal. Vooral het leerlingenaantal op LOM scholen groeide snel. Deze scholen golden als vergaarbak voor kinderen met wie reguliere scholen geen raad wisten, maar die niet op een van de andere vormen van buitengewoon onderwijs thuis hoorden.

Het niet uitvoeren van de wettelijke bepalingen gold in deze jaren ook voor de kern van de wet van 1920, namelijk het recht om bijzonder buitengewone scholen op te richten en subsidie te krijgen: de financiële gelijkstelling. Ook dit grondwettelijke recht werd niet direct doorgevoerd voor het buitengewoon onderwijs. Buitengewone scholen met een levensbeschouwelijke signatuur werden niet door de overheid gesubsidieerd. Feitelijk werd dit pas in 1967 volledig gerealiseerd.

Zorgen over de kosten
De overheid plaatste vraagtekens bij de explosieve groei van het buitengewoon onderwijs als gevolg van de toenemende differentiatie na 1920. Zij maakt zich vooral zorgen over de kosten. Vanaf de jaren zeventig is er een beweging zichtbaar waarbij het buitengewoon onderwijs – dat vanaf de Contourennota in 1975 in het beleid wordt aangeduid als speciaal onderwijs – moet inkrimpen en basisscholen langzaam maar zeker meer zorg op zich moeten nemen. Weer samen naar school (1992) is hier een voorbeeld van, net als de invoering van het Rugzakje en het leerlinggebonden budget (2003). Het uiteindelijke streven is te komen tot Passend Onderwijs (2014): niet de ouders, maar de school moet ervoor zorgen dat er voor elke leerling die extra ondersteuning nodig heeft een passende plek gevonden wordt.

Publicatiedatum: 14-12-2020
Datum laatste wijziging :27-12-2020
Auteur(s): Dorien Graas,
Verwante vensters
Literatuur
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste