1985 Legitimatiecrisis van het opbouwwerk
Einde van het maakbaarheidsoptimisme
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
In de jaren tachtig komt er een einde aan het maakbaarheidsoptimisme dat het opbouwwerk tot dan toe kenmerkte. Het ging altijd om iets dat nog gerealiseerd moest worden: een voorziening als een buurthuis, betere huisvesting, meer invloed op de inrichting van de wijk, emancipatie van doelgroepen – noem maar op. Hét toverwoord in de eerste twee succesvolle decennia van de samenlevingsopbouw was: planning. Er werden wel kritische noten geplaatst bij deze – flink van bovenaf gestuurde – vorm van opbouwwerk. De meest forse kritiek kwam van Bram Peper. In zijn in 1972 gepubliceerde proefschrift Vorming van welzijnsbeleid. Evolutie en evaluatie van het opbouwwerk nam hij de sector stevig op de korrel. Hij werpt de vraag op of er nu sprake is van echte samenlevingsopbouw of slechts van een spectaculaire uitbreiding van overheidsdiensten en bureaucratische processen. In de loop van de jaren zeventig kwam het vakgebied nog op een andere manier onder vuur te liggen. Een deel van de opbouwwerkers werd beticht van ‘beroepsactivisme’. Zij zouden aan professionaliteit inboeten door een te eenzijdige oriëntatie op de belangen van buurtbewoners. (Zie: 1975 - Stadsvernieuwing als werkterrein.)

In het nauw
Echt brede weerklank krijgt de opkomende kritiek nog niet in de roerige jaren zeventig. Dat verandert echter vanaf begin jaren tachtig als het optimistische tij begint te verlopen. De gevolgen van de economische crisis doen zich voelen, bezuinigingen zetten de toon, en twee CDA/VVD-kabinetten komen met een no-nonsense beleid. Daarbij wordt schoon schip gemaakt met de overspannen verwachtingen uit de begintijd over wat de overheid allemaal vermag. De overheid moet terugtreden, meer moet aan de markt of de (Brinkman: zorgzame) samenleving worden overgelaten. Het is het begin van wat later wel een neoliberale wending wordt genoemd.
Voor de professionele samenlevingsopbouw heeft dat grote gevolgen. De in feite heel jonge werksoort verliest haar vanzelfsprekendheid. Door de discussies die Hans Achterhuis met zijn boek De markt van welzijn en geluk (1979) aanzwengelt, moeten professionals overschakelen van de aanval op de verdediging. Ze moeten zich extra legitimeren.
Tegelijkertijd hapert de financiering. Waar het de bedoeling van de Kaderwet Specifiek Welzijn was om opbouwwerkfuncties min of meer lokaal voor te schrijven, verdwijnt dat perspectief als minister Brinkman deze wet naar de prullenbak verwijst. Onder het regime van zijn Welzijnswet wordt het opbouwwerk grotendeels afhankelijk van de goedgemutste lokale overheid.

Legitimatiecrisis
In de zoektocht naar een hechtere maatschappelijke verankering worden nieuwe taken opgepakt. Het opbouwwerk begeeft zich op terreinen waarop andere deskundige partijen werkzaam zijn, zoals veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs. Nieuwe thema’s dienen zich aan, met bijvoorbeeld projecten op het vlak van werkgelegenheid, integratie en onderwijs. Deze uitbreiding van het activiteitenpakket gaat evenwel niet gepaard met een heldere afbakening van het werkterrein. Integendeel, extra taken worden opgepakt zonder bestaande af te stoten. Dit blijkt een valkuil, want daarmee versterkt het opbouwwerk de Achterhuis-kritiek dat het zijn eigen aanbod creëert.
Wat de sector nog verder in het nauw drijft, is dat andere beroepsgroepen in toenemende mate opbouwwerk-achtige taken gaan verrichten. (Zie ook: Sociale venrieuwing & Opzoomeren. Voorbeelden zijn wijkagenten, jongerenwerkers en buurtwerkers in dienst van corporaties. Het gevolg is meer concurrentie en grensvervaging. Het lukt het opbouwwerk niet om zich te specialiseren en een herkenbaar domein te claimen als opbouwwerkgebied. Opbouwwerk wordt het spreekwoordelijke duizend-dingendoekje. Als het van pas komt, wordt deze betiteling wel gebruikt als geuzennaam, maar het is een tamelijk krachteloze poging om het eigen vakgebied meer aanzien te geven.
Binnen het vakgebied worden overigens wel degelijk initiatieven genomen om de beroepsidentiteit te verhelderen. In 1989, op het moment dat het erosieproces al in gang was gezet, werd nog een leerstoel Wetenschappelijke grondslagen van het opbouwwerk opgericht. De focus werd gericht op uitwerking van het beroepsprofiel en op onderzoek naar de effecten van het opbouwwerk in wijken. De oprichting van een leerstoel is zeker een serieuze poging om het vak van een steviger wetenschappelijk fundament te voorzien, maar het is dweilen met de kraan open.

Wederopstanding?
Toch laat het opbouwwerk zich niet zo gemakkelijk uit het veld slaan. Als je denkt dat deze werksoort voorgoed kopje onder gaat, komt zij weer bovendrijven. In wisselende gedaanten en op uiteenlopende plekken. Opbouwwerkers hebben iets weg van een welzijnskameleon. Ze duiken steeds opnieuw op, als participatiemakelaar, als gebiedswerker, als zzp’er, als buurtondernemer, als idealistische buurtwerker, als lid van een wijkteam.
Wat de zwakte is van het opbouwwerk, blijkt tevens zijn kracht. Altijd flexibel aanpassen aan veranderde omstandigheden, slim inspelen op nieuwe beleidsparadigma’s en probleemdefinities, het springen in leemtes – met een fijne neus voor subsidies. Als er ergens een taai sociaal probleem opdoemt, dat niet met harde hand of softe hulpverlening is op te lossen, dan ontstaat vanzelf de roep om een opbouwwerker. Een vakman zonder een scherp eigen profiel, maar breed inzetbaar en in diverse situaties een helpend instrument.

De kracht van de professie is het vermogen om steeds weer nieuwe verbindingen aan te gaan met groepen burgers en bewoners, met de politiek en de wereld van het beleid, met het onderwijs en met het wetenschappelijk circuit. En het vermogen om deze werelden al doende succesvol met elkaar in aanraking te brengen. Dat is nooit anders geweest en het is tot nu zo gebleven.

Verbindende schakel
Met de transities in het sociaal domein is het opbouwwerk niet zozeer als werksoort weer in beeld, maar wel de opbouwwerker als nuttige sociale professional. De opbouwwerker wordt gezien als belangrijke verbindende schakel tussen de buurtteams die persoonlijke zorg verlenen en de leefomgeving van bewoners met hun informele netwerken. Het risico dat op de loer ligt, is dat de collectieve, omgevingsbewuste rol van het opbouwwerk ondersneeuwt in deze individu-georiënteerde en probleemgerichte teams. Dan zijn we terug bij waar het opbouwwerk nog geen eeuw geleden begon en starten we monter een nieuwe zoektocht naar ‘community organization’ in een andere tijd. Maar het kan ook anders gaan. In dat geval heeft het opbouwwerk een nieuw werkterrein voor zichzelf gevonden waarbinnen het vak een nieuwe inhoud krijgt.

Publicatiedatum: 12-09-2019
Datum laatste wijziging :28-02-2020
Auteur(s): Henk Krijnen, Mirjam van Veen,
Verwante vensters
Extra De 54 onjuistheden van Bram Peper
Het proefschrift van Bram Peper deed in 1972 het nodige stof opwaaien. Opbouwwerk was een eigenlijk nog maar een jong vak in ontwikkeling en nu meldde zich een jonge socioloog, nauw verbonden met een opkomende generatie in de PvdA, met een kritische beschouwing dat het eigenlijk een uitbreiding was van de bureaucratische staat. Dat viel niet goed, zeker niet op het ambitieuze ministerie van CRM. Drs Klaas Laansma, directeur samenlevingsopbouw, ging er eens goed voor zitten. Hij las het proefschrift met een rode pen en ontdekte maar liefst 52 onjuistheden in Pepers proefschrift. Het NIMO-bulletin, in die dagen het vakblad voor opbouwwerk, wijdde er een speciale editie aan.
Laansma conclusie is snoeihard: ’Het geheel overziende meen ik te mogen zeggen dat Peper blijk geeft van onvol­doende historische kennis over zijn on­derwerp, onvoldoende kennis van de praktijk heeft, onvoldoende kennis van de vakliteratuur en ook onvoldoende kennis van het ambtelijk en parlementair functioneren van de overheid. Zijn in­terpretaties geven duidelijk blijk van be­vooroordeeldheid, veel van zijn bewe­ringen zijn ongefundeerd.’
Bram Peper zag in de reactie eerder het bewijs van zijn gelijk en nam niet de moeite om de kritiek te weerleggen. Een paar jaar later werd hij voorzitter van de commissie die namens de regering de structuur van het welzijnswerk onderzocht en in de Knelpuntennota (1974) de eerste aanzet leverde voor een herstructurering die vele decennia in beslag zou nemen.
Literatuur
Aanvullend materiaal
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste