1982 Landelijk Platform/Centrum Opbouwwerk
... en zijn directeur Wil van de Leur
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Begin 1978 had Wil van de Leur het in Leeuwarden wel gezien. Hij werkte er elf jaar, was als coördinator van het Centraal Orgaan Leeuwarden een bekend gezicht in Friese hoofdstad en hij had er het opbouwwerk op de kaart gezet. De Transvaalwijk was uitgegroeid tot een voorbeeldwijk in de stadsvernieuwing en elke wijk in Leeuwarden beschikte ten minste over een fulltime opbouwwerker.

Van de Leur wilde echter verder. Hij hoorde dat de Nationale Raad voor Maatschappelijk Welzijn (NRMW) iemand zocht die de sectie samenlevingsopbouw verder moest ontwikkelen en zag daarin een uitgelezen kans om zijn ervaringen in het noorden in te zetten voor de vakontwikkeling van het opbouwwerk. Eenmaal verhuisd naar Den Haag viel dat tegen. De NRMW was een tamelijk ouderwetse koepelorganisatie, gedomineerd door de regenten van het maatschappelijk werk, die weinig op hadden met opbouwwerkers – die waren te links en te warrig.

Zelfstandige organisatie
Voor Van de Leur was daarom al snel duidelijk dat het opbouwwerk een zelfstandige organisatie nodig had om zich als vak verder te profileren. Het NIMO was daarvoor als onderzoeksinstituut niet geschikt. Voor die opvatting vond hij gretig gehoor bij topambtenaar Gradus Hendriks, die vlak voor zijn pensionering bepaald niet tevreden was dat zijn levenswerk, want dat was het opbouwwerk, verstrikt was geraakt in ideologische scherpslijperij en als vak niet goed uit de verf kwam. Vlak voor zijn pensioendatum kende hij Van de Leur 75.000 gulden toe om een zelfstandige organisatie op poten te zetten.

Zo startte in 1982 het Landelijk Platform Opbouwwerk (LPO), met een kleine bezetting en een logo dat vrijwel hetzelfde was als dat van het COL in Leeuwarden (zie afbeeldingen links). Het LPO had vier doelstellingen: 1) het creëren van lokale samenwerkingsverbanden of platforms van plaatselijke of lokale instellingen om te komen tot probleemoplossing van onderop en innovatie; 2) het organiseren van conferenties over opbouwwerkthema’s; 3) belangenbehartiging van het vak opbouwwerk richting centrale overheid; 4) het verzamelen en verspreiden van informatie via een nieuw tijdschrift.

Kraamkamer
Van de Leur kon er al zijn – nooit aflatende – creativiteit kwijt. Het LPO werd, met een bezetting van zo’n tien tot vijftien medewerkers, een kraamkamer voor allerhande initiatieven, waarover systematisch in het maandelijks verschijnende Mededelingen Opbouwwerk werd geschreven. Alles wat opbouwwerkers aanraakten kwam langs en werd omgezet in projecten en initiatieven. Van de Leur was een grootmeester in het aanspreken van subsidiepotjes. Het LPO hield zich bezig met opbouwwerkers en het onderwijsvoorrangsbeleid, stadsvernieuwing, het oprichten van lokale WAO-beraden, werk- en welzijnprojecten, milieu en vergroening van wijken, wonen & stedelijke en sociale vernieuwing, achterstandsbeleid en de oprichting van het Landelijk Samenwerkingsverband Achterstandsgebieden (LSA), de mogelijkheden van automatisering et cetera. Steeds ging het om het ondersteunen van initiatieven van onderop, het sterker maken van bewoners- en actiegroepen. Maar dat moest wel op een systematische en planmatige wijze gebeuren. De geest van de Probleem Project Methode heeft Wil van de Leur nooit verlaten en vond in het LPO een vruchtbaar onderkomen. Van hoogdravende en weinig praktische theoretische exercities moest men in het Haagse LPO-kantoor weinig hebben.

Het LPO deed er alles aan om het vak opbouwwerk te verankeren en er een erkend beroep van te maken. Dat ging echter uiterst moeizaam. De populariteit van het welzijnswerk, waar het opbouwwerk onder geschaard werd, nam in het no-nonsense-klimaat van de jaren tachtig zienderogen af, de wetenschappelijke fundering ervan door de andragologie werd in 1985 opgeheven. Voor Van de Leur waren dat allemaal signalen om een lobby te starten voor een eigen leerstoel wetenschappelijke grondslagen van het opbouwwerk. Hij richtte daartoe de Gradus Hendriks Stichting op die in 1989 Cees de Wit als eerste bijzondere hoogleraar kon aanstellen.

Houdini-act
Inmiddels pakten zich door een door de overheid ingezette Herstructurering Landelijke Organisaties ook donkere wolken samen boven het LPO, dat dreigde te worden opgeslokt door het nieuw op te richten Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW), waarin alle landelijke ondersteuningsorganisaties werden ondergebracht. Van de Leur sprak echter al zijn Haagse contacten aan om daaraan te ontsnappen, en slaagde daar als enige organisatie wonderwel in. Een Houdini-act die hij een paar jaar later nog eens herhaalde toen het ministerie een nieuwe poging ondernam om het LPO onder het gareel van het NIZW te brengen. Opnieuw zonder succes. Wel moest het LPO samengaan met de vier werkplaatsen opbouwwerk en ging het vanaf 1993 verder als Landelijk Centrum Opbouwwerk (LCO).

Het LCO bleef onder de leiding van Van de Leur onvermoeibaar ijveren voor de verdere beroepsontwikkeling en beroepsprofilering van het opbouwwerk. Het centrum telde halverwege de jaren negentig drie vestigingen, in Den Haag, Sittard en Zwolle, met bij elkaar zo’n twintig medewerkers. Samen met de Gradus Hendriks Stichting werd een reeks publicaties opgezet om de theoretische onderbouwing verder te brengen. Een eerste beroepsprofiel verscheen in 1990, een jaar later gevolgd door het eerste handboek sinds twintig jaar van de hand van Harry Broekman, er werden vakconferenties gehouden en van dat alles werd nauwgezet verslag gedaan in MO/Samenlevingsopbouw.

Uit de gratie
De functie opbouwwerk liet zich echter niet vangen door het beroep opbouwwerk. Samenlevingsopbouw bleek steeds minder eigendom te zijn van één professie. De exclusiviteit erodeerde steeds verder. Jaarlijkse vakconferenties konden die trend niet stoppen. In 2001 ondernamen Wil van de Leur en de zijnen een poging om met een beroepsorganisatie van opbouwwerkers het tij te doen keren, maar de BON (Beroepsorganisatie van Opbouwwerkers Nederland) werd geen succes. Nederland telde zo’n tweeduizend opbouwwerkers, maar slechts een kleine honderd sloten zich aan bij de BON.

Voor Van de Leur was het tevens teleurstellend dat het succesvolle Landelijk Samenwerkingsverband Achterstandsgebieden (LSA) zich losmaakte van het LCO. Voor hem hoorde kennis- en methodiekontwikkeling ten dienste van bewonersorganisaties tot de kern van het LCO; bewoners en LSA-voorman Henk Cornelissen dachten daar anders over. In 2005 verlieten zij het LCO en opende het LSA een kantoor in Utrecht. Voor Wil van de Leur was dat een bittere pil.

Toen het ministerie in datzelfde jaar een derde poging ondernam om het LCO onder te brengen in Movisie, de landelijke organisatie voor maatschappelijke vraagstukken die uit de opsplitsing van het NIZW tevoorschijn zou komen, was Van de Leur niet voor de derde keer in staat om deze dreiging te ontlopen. Hij verzette zich nog wel, maar zijn politieke netwerk raakte net als hijzelf op leeftijd en het opbouwwerk was uit de Haagse gratie geraakt. Op 1 januari 2007 trokken de medewerkers van het LCO, inclusief een gefrustreerde Wil van de Leur, in bij Movisie aan de Catharijnesingel in Utrecht. Een half jaar later overleed de 63-jarige Wil van de Leur, op dat moment precies een kwart eeuw hét gezicht van het opbouwwerk in Nederland, aan de gevolgen van longkanker.

Publicatiedatum: 02-12-2019
Datum laatste wijziging :30-01-2020
Auteur(s): Jos van der Lans, Chris Veldhuijsen,
Verwante vensters
Literatuur
Aanvullend materiaal
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste