1983 Opbouwwerk in vrouwenhanden
Feminisering van samenlevingsopbouw
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Eind jaren zestig gaven initiatieven als ManVrouwMaatschappij, Dolle Mina, maar ook de start van een vrouwenblad als Opzij, de stoot tot wat we tegenwoordig aanduiden als de tweede feministische golf. Wat begon als acties van een kleine groep vrouwen verspreidde zich met het verstrijken van de jaren zeventig en tachtig over steeds meer terreinen, waar de positie en inbreng van vrouwen aan de orde werd gesteld. De publieke sector ging daarin voorop. Vrouwen lieten zich steeds nadrukkelijker en luidruchtiger gelden binnen overheidsdiensten, het hoger onderwijs, de zorg, de sociale hulpverlening en uiteraard ook het welzijnswerk.

Opbouwwerk en samenlevingsopbouw namen daarbij zeker geen frontpositie in. Sterker, het opbouwwerk was in de jaren zeventig eigenlijk het enige sociaalwerkvak dat door mannen werd gedomineerd. Van oudsher was het maatschappelijk werk voornamelijk vrouwenwerk, maar toen het maatschappelijk opbouwwerk in de jaren vijftig via het ministerie van Maatschappelijk Werk uit deze werksoort voortkwam, werd dit nieuwe vak ook voor mannen aantrekkelijk. Dat was ook bewust beleid. In de Rijkssubsidieregeling samenlevingsopbouw uit 1963 kregen opbouwwerkers een hogere salariëring dan maatschappelijk werkers. Toen het opbouwwerk een decennium later ten tijde van de stadsvernieuwing grotendeels in een actiemodus kwam te staan, was het voornamelijk een mannenvak geworden. Wie de foto’s ziet van een beroemd en verhit congres in 1980 in Utrecht over opbouwwerk, methodiek & emancipatie ziet vooral mannen met baarden. Vrouwen zijn maar mondjesmaat aanwezig.

Netwerk
Maar eind jaren zeventig, begin jaren tachtig begonnen vrouwen zich steeds meer te roeren. Ze zochten elkaar op, bespraken het werk en onderzochten met elkaar wat er moest veranderen om hen niet alleen meer stem te geven, maar ook het werk zelf meer te enten op de belangen en leefwereld van vrouwen, zoals bijvoorbeeld wonen, de positie van huisvrouwen in buurten, scholing van vrouwen, sociale veiligheid en de emancipatie van vrouwen in het algemeen. Zo ontstond een groeiend netwerk van vrouwen die met elkaar samenwerkten, studiedagen organiseerden en ervaringen uitwisselden. Ze werkten bij het NIMO, de Werkplaatsen Opbouwwerk (vooral die in Zuid-Holland), in vormingscentra (met name De Born), op de universiteit (vooral bij het IWA, het Instituut voor de Wetenschap der Andragologie, te Amsterdam) en binnen de Nederlandse Organisatie van Welzijnswerkers (NOW) en de Werkgroep 2000.

Deze activiteiten monden in 1983 uit in het boek Opbouwwerk in vrouwenhanden, geschreven door Carla Biemans, Marianne van den Boomen en Lenie Janssen. Het boek is het resultaat van een samenwerking van vrouwen verbonden aan onder meer NIMO en de sectie opbouwwerk van het NOW, die besloten had prioriteit aan vrouwen en opbouwwerk te geven. Dankzij een subsidie van het ministerie van CRM kon het boek gerealiseerd worden.

Opbouwwerk in vrouwenhanden laat zich lezen als een feministische kritiek op de cultuur van het opbouwwerk, die gedomineerd wordt door vergaderingen en zich vooral richt op formele structuren en strategische vraagstukken, waarbij weinig of geen oog is voor de positie van vrouwen in buurten. Het opbouwwerk kent met andere woorden een blinde vlek, door de mannelijke dominantie lijkt het werk meer in macht dan in mensen geïnteresseerd. Om daar verandering in te brengen en het vrouwelijke perspectief serieus te nemen geeft het boek een aantal methodische handreikingen (zie Extra, onder aan deze pagina).

Vrouwen en wonen
"Vrouwen en wonen’ was het terrein waar het vrouwenopbouwwerk zich het nadrukkelijkst manifesteerde. Vrouwen, zo was de analyse, zijn immers hoofdgebruikers van de buurt. Voor vrouwen is de buurt zowel woon-, werk- als leefomgeving. Ze zijn er moeder, huisvrouw en buurtgebruiker tegelijkertijd. Daarmee komen hele specifieke collectieve belangen in het spel, zoals: taakverlichting, vergroten van de eigen leef- en beweegruimte door het isolement te doorbreken en ontmoetingsmogelijkheden te vergroten, alternatieven voor de eenzijdige gezinsbouw, vrouwvriendelijke werkgelegenheid dicht in de buurt en een sociaal veilige omgeving. Over dit thema werden meerdere video’s gemaakt onder meer door Lenie Jansen, een van de auteurs van Opbouwwerk in vrouwenhanden. De video’s hadden tot doel die vrouwen bewust te laten worden van hun positie.

Lenie Janssen, decennia later terugblikkend: ‘Het was een enorm inspirerende tijd, we konden dingen opbouwen, je vond elkaar. Vrouwen voelden zich geïsoleerd in het opbouwwerk en vonden herkenning bij elkaar. Er was gezamenlijke power! Je kon iets betekenen voor anderen. We organiseerden congressen, deden nieuwe dingen, in discussie met de gevestigde orde. Er kwam respons van vrouwen die zich erin herkenden, Je had het gevoel dat je iets bijdroeg.’

Categorale aandacht
Maar heeft het ook effect gehad? Is het opbouwwerk gefeminiseerd? Feit is, zo blijkt ook uit NIMO-trendstudies, dat in de jaren tachtig de categorale aandacht voor vrouwen binnen het opbouwwerk stevig toenam. Naast minderheden en jongeren worden vrouwen steeds vaker genoemd als aparte doelgroep van het opbouwwerk of buurtwerk. Wat de feminisering in ieder geval heeft gebracht, is dat de inzet van het opbouwwerk veel directer is komen te liggen op wat mensen raakt in het dagelijks leven. Er is ook een rechte lijn te trekken tussen het aandacht vragen voor de positie van vrouwen en het belang van diversiteit, zoals dat momenteel ook in het opbouwwerk wordt nagestreefd.

Maar de scherpte van begin jaren tachtig is er wel vanaf. In het dagelijkse werk is het in de buurten en wijken niet altijd functioneel om als het gaat om wonen en de woonomgeving een onderscheid te maken tussen de belangen van vrouwen en die van mannen. Doorgaans gaat het om kwalitatieve verbeteringen (betere huisvesting, meer groen, meer speelgelegenheid, meer sociale veiligheid) waarin meer algemene belangen zijn te onderkennen dan seksespecifieke invalshoeken. In veel wijkorganisaties zijn sowieso veel vrouwen actief, zonder dat daar een feministische draai aan hoeft te worden gegeven. Daar geldt eerder de regel: hoe tastbaarder de problemen, hoe eerder vrouwen in het geweer komen. Als vrouwen nog apart worden ondersteund dan gaat het doorgaans om migrantenvrouwen.

Vrouwen in de meerderheid
Wat wel aan het veranderen is, is de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke opbouwwerkers. Was deze eind jaren zeventig 3 op 1, tegenwoordig is het aantal vrouwelijke opbouwwerkers in de meerderheid. Het is nog niet, zoals in andere regionen van het sociaal werk (bijvoorbeeld in wijkteams), een vorm van professioneel werken die vrijwel geheel door vrouwen wordt gedomineerd, maar wie bijvoorbeeld de lijst doorneemt van de 350 opbouwwerkers die zich bij het opbouwwerkersplatform Krachtproef hebben aangesloten, kan inschatten dat 40 procent man is en 60 procent vrouw.
De trend is dat opbouwwerk dus meer en meer een vrouwenberoep is geworden. Daarmee dreigt ook een andere beroepswetmatigheid in werking te treden: het werk krijgt minder status, het wordt minder gesalarieerd en wordt daardoor onaantrekkelijker voor mannen. Iets van die beweging wordt al zichtbaar in de ontwikkeling dat zich in wijken buiten professionele welzijnsorganisaties om steeds meer zzp’ers melden die zich vooral focussen op veranderingen van beleid, begeleiding van burgers bij bijvoorbeeld de energietransitie en andere robuuste projecten. Ze noemen zich geen opbouwwerkers, maar in feite doen ze opbouwwerk. En het zijn veelal mannen. Herhaalt zich de geschiedenis?

Publicatiedatum: 28-10-2019
Datum laatste wijziging :09-11-2020
Auteur(s): Liesbeth Willems,
Verwante vensters
Extra Methodische handreikingen Opbouwwerk in vrouwenhanden
- Stel de leefwereld van bewoners centraal en niet de verbale vergadercultuur van het opbouwwerk.
- Geef aandacht aan kleinschalige problemen, zaken die dicht bij huis liggen.
- Niet alleen het resultaat (het product) telt, maar ook om de wijze waarop dat behaald wordt (het proces).
- Heb oog voor sfeer en relaties.
- Neem initiatieven niet over, maar stimuleer zelfvertrouwen en vaardigheden.
- Wees vooral ondersteunend en niet sturend.
- Durf je eigen werkwijze ter discussie te stellen en wees niet te bang voor samenwerking en vermenging van werksoorten.
- Stimuleer onderlinge betrokkenheid, bewustwording en blijvende positieverbetering.
- Het gaat niet alleen om klasse-uitbuiting, maar ook om sekse-ongelijkheid en discrimantie op basis van ras.
Verder studeren
  • PDF document Carla Biemans, Marianne van den Boomen en Lenie Janssen (1983), Opbouwwerk in vrouwenhanden.  Utrecht: Stichting Welzijn Publikaties, ISBN 90 6665 005 2. [De pdf is een samenvattend artikel uit het tijdschrift Marge, nr. 11/1982.]
  • PDF document Anja Bervoets, Mieke Hogervorst, Greta van der Pompe (1987), Vrije val: een onderzoek onder vrouwen werkzaam in het opbouwwerk. Uitgave: Werkcentrum Opbouwwerk Zuid-Holland. [In de pdf een rondetafelgesprek met vrouwelijke opbouwwerkers n.a.v. het onderzoek, uit: Mededelingen Opbouwwerk, 1987, nr. 9.]
Aanvullend materiaal
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste