1980 Kongres Opbouwwerk, Methodiek & Emancipatie
Hoogtepunt van de politisering van het opbouwwerk
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Op 25 en 25 september 1980 komt op het Instituut voor Pedagogische en Andragogische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Utrecht aan de Bijlhouwerstraat 6 de spraakmakende elite van het Nederlandse opbouwwerk bijeen. Nagenoeg iedereen die wel eens wat geschreven heeft over het opbouwwerk is er, onder meer: Paul Kuypers, Henk Bezemer, Wim van Rees, Piet Willems, Wolfgang Beck, Wil van de Leur, Harry Broekman en Theo Schuyt. Het thema is: Opbouwwerk, emancipatie & methodiek.

De belangstelling is enorm. Meer dan vierhonderd opbouwwerkers, docenten en studenten hebben zich aangemeld voor het tweedaagse opbouwwerkcongres in Utrecht. De belangstelling is boven verwachting. Aanvankelijk had de organisatie gerekend op zo’n 150 deelnemers, maar toen ze overstelpt werden met maar liefst 400 aanmeldingen moest er een heus ‘videocircuit’ aangelegd worden om de deelnemers in een ander gebouw in staat te stellen het congres te volgen.

Confrontatie
Er stond ook iets spannend te gebeuren. Voor het eerst zouden stromingen in het opbouwwerk met elkaar de confrontatie aangaan, zo was de verwachting. Een jaar eerder had een groep Utrechtse andragologiestudenten geconstateerd ‘dat het toch te gek was, dat er rond uitvoerend opbouwwerk twee typen teksten circuleerden, die elkaar zelfs niet citeerden: teksten rond de Probleem Project Methode en teksten met het revolutionair elan van de sociale bewegingen’ (Kongresmap, p.7). Het doel was om de ‘discussies rond de diverse theoretische stromingen los te weken zonder in een uitzichtloze stellingenoorlog terecht te komen’.

De tegenstelling tussen middel ’methodiek’ en doel ‘emancipatie’ blijkt echter niet de enige tegenstelling, die tijdens het Kongres de gemoederen beroert. Er treedt ook spanning op tussen mensen van de praktijk en de theoretici van de universiteit. Er is gekrakeel tussen opbouwwerkers die vinden dat je resultaten moet boeken in de microsituaties van bewoners versus opbouwwerkers die vinden dat resultaten pas tellen als er ook veranderingen op het macroniveau (van de staat) komen. Het congres brengt al dit soort tegenstellingen aan de oppervlakte en de gemoederen raken daarbij regelmatig danig verhit. Deelnemers aan het congres herinneren zich bijeenkomsten waarin de spreker werd uitgejouwd en waarin voor- en tegenstanders elkaar nog net niet in de haren vlogen. De chaos is vaak compleet en de heftigheid van enkele discussies was voor enkele deelnemers dan ook aanleiding het congres te verlaten. Van het voornemen om niet in ’uitzichtloze stellingenoorlog’ terecht te komen, komt weinig terecht.

Prefab-productieproces
Gert Jongetjes, anno 2019 bestuurder van Welzijnsgroep Midden Nederland, kan zich het congres nog levendig herinneren. Hij was toen als jonge opbouwwerker betrokken bij de strijd om de verbetering van de Blois de Treslongstraat in Utrecht en was door een van de organisatoren, Henk Bezemer, gevraagd een verhaal te houden over de aanpak daarvan. Jongetjes was een kind van de radicale jaren zeventig en moest niks hebben van de Probleem Project Methode: ‘Arie Besteman en de zijnen uit het noorden van het land waren in onze ogen revisionisten, overlopers; daar hadden wij in die tijd geen goed woord voor over. Kwam meneer Besteman ergens een praatje houden dan gingen we daar met z’n allen heen om een tegengeluid te laten horen. De Probleem Project Methode had iets van een prefab productieproces; een grote smeeroliemachine, Wij vonden dat niemand daar op de lange termijn echt beter van werd. De groepen die het meest hadden te winnen, wonnen het minste bij de Probleem Project Methode.’

KSH-theorie
Jongetjes zelf ging in de Blois de Treslongstraat te werk volgens de zogenaamde KSH-theorie, die door Henk Bezemer, docent aan het IPAW en één van de organisatoren van het congres, was ontwikkeld. Door van bewonersgroepen Klassefactoren, Situationele factoren en Handelingservaring in beeld te brengen probeerden ze bewustzijnsprocessen van groepen mensen te verklaren. Jongetjes: ‘We konden door die analysen uit gaan van wat mensen wilden en wat bij hun situatie paste. Daardoor hoefden we niet iedereen uit de buurt voor elk probleem op één lijn te krijgen, waardoor we niet langer verzeild raakten in eindeloze discussies. We konden op basis van onze KSH-analyse verschillende doelen formuleren en strategieën toepassen.’

Boe-geroep
Jongetjes vindt het nog steeds, even afgezien van de terminologie, een slimme aanpak, omdat je er impasses tussen bewoners mee doorbrak. Maar tijdens het congres viel zijn verhaal niet bepaald in goede aarde. Jongetjes: ‘Toen ik aan de beurt kwam en mijn verhaal vertelde, zat ongeveer de helft van de zaal vol met felle tegenstanders die de hele tijd boe zaten te roepen. Na tien minuten hadden mensen zoiets van; ‘”hou maar op met dat verhaal, dat mag je helemaal niet doen zo”. De grootste tegenstanders kwamen uit progressieve parlementaire kringen, gelieerd aan PvdA en PSP. Die hadden zoiets van; “hoe haal jij het in je hoofd om als opbouwwerker een beetje analyses van die bewoners te gaan maken en dan te gaan zeggen: dat zijn arbeiders en dat zijn zus en dat zijn zo….iedereen heeft gewoon een stem en mag roepen wat hij wil.”’

Afschuw
Ook de aanwezige gemeenteambtenaren moesten niets van zijn KSH-verhaal weten, herinnert Jongetjes zich. ‘Die vonden de hele analyse schandalig. Vooral het idee dat je met theorieën van Marx de buurt analuyseerde verafschuwden zij. Die zaten op de lijn van Besteman. Je bekijkt het probleem en dan ga je volgens bepaalde stappen naar een oplossing. Maar ja, dat vond de andere kant van de zaal weer kortzichtig. Dat werd een felle discussie en daardoor ook weinig productief. Mensen aan de ene kant waren echt niet te overtuigen en andersom ook niet. Op dat congres werd de clash georganiseerd. Als neutrale opbouwwerker had je er weinig aan. Iedereen had zich in de eigen loopgraven ingegraven.’

Neoliberale opvattingen
Dergelijke felle confrontaties waren kenmerkend voor deze tijd en ze speelden zich ook op andere terreinen af. Het tij voor revolutionaire taal, voor de klassenstrijd en sociale bewegingen begon daarna snel te verlopen. De economische laagconjunctuur zorgde ervoor dat beheersing van de kosten van de verzorgingsstaat zich steeds nadrukkelijker op de politieke agenda opdrong. In Groot Brittannië en de VS kondigden zich de komst van leiders als Thatcher (‘There is no such a thing as society, there are only individuals and their families.’) en Reagan (‘Government is not the solution to our problem, government IS the problem.’) aan. Zij hadden krachtige neoliberale opvattingen over de rol van de overheid. In die context verliest de richtingenstrijd zoals die in 1980 haar hoogtepunt vond in het Kongres Opbouwwerk, Methodiek & Emancipatie snel elke glans en geloofwaardigheid.

Terreur van de bingo
Er was overigens niet alleen verdeeldheid. Waar opbouwwerkers het over eens zijn is dat zij het verschil willen maken. PPM-aanhanger of marxistisch agoog, beiden willen zich verre houden van het club- en buurthuiswerk. In de ogen van nogal wat opbouwwerkers zijn dat oorden voor depolitiserend recreatief vermaak. Wil van de Leur sprak op het congres over de ‘terreur van de bingo ́. Anderen noemden het laatdunkend: ‘bezigheidstherapie in buurthuizen.

Die aversie was later in de jaren tachtig ook de belangrijkste reden waarom veel opbouwwerkers – toen bezuinigingen tot reorganisaties en fusies dwongen – weigerden zich over te leveren aan ́brede welzijnsorganisaties. Opgaan in zo’n organisatie zou in hun ogen het einde van het opbouwwerk betekenen.

Brood in betaalde oppositie?
Maar hoe dan wel? Het tijdschrift Marge (in 1977 opvolger van het NIMO-bulletin en begin jaren tachtig omgedoopt tot sociaalpolitiek opiniemaandblad voor het brede welzijnswerk) voert begin jaren tachtig de discussie verder in een reeks artikelen onder de titel: Zit er nog brood in de betaalde oppositie? Maar een overtuigend antwoord blijft uit. Ondertussen verloopt het politiek-ideologische tij met zijn scherpslijperij steeds verder. Eind jaren tachtig zijn de tijden van het gepolitiseerde opbouwwerk definitief voorbij.

Bescheidener
Maar wat er als erfgenaam achterblijft is allerminst duidelijk. In 1991 wordt voor het eerst sinds 1980 weer een landelijk congres georganiseerd over de toekomst van het opbouwwerk. Net als in 1980 is Paul Kuypers, jarenlang directeur van het Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant en inmiddels directeur van De Balie in Amsterdam, opnieuw voorzitter van het congres. Hij blikt terug: ‘Van de stromingen van toen, zoals de ’Utrechtse school’ van marxistische agogen, is niet veel meer over. Ook een deel van het opbouwwerk zelf verdween. Van de opbouwwerkers noemen sommigen zich nu consultant en er zijn er ook die de handel of zelfs de zeevaart in zijn gegaan." Het opbouwwerk is in de tussenliggende periode, aldus Kuypers, bescheidener geworden. ‘De pretenties en de verbeelding die het aan de macht zou brengen, zijn over. Verdwenen is ook de rol van de rijksoverheid: het geld en ook de ideeën waren op. De gemeenten werden de erfgenamen van het opbouwwerk.’

Hapklare brokken
Wil van de Leur, in 1991 bijna tien jaar directeur van het Landelijk Platform Opbouwwerk is ook op dit congres één van de sprekers. Hij ziet de slinger doorslaan naar de andere kant. Hij hekelt de nieuwe mode van projectorganisatie en contractfinanciering. Kenmerk hiervan is dat er succes moet zijn op korte termijn. ‘Men wil hapklare brokken. Diagnostiek en visie worden verwaarloosd. Degenen die het project dragen of het contract uitvoeren, werken als een soort uitzendkracht. ‘Discontinuïteit wordt tot principe verheven." Van de Leur vergeleek het met de brandweer, ‘recht op de brandhaard gericht, met verwaarlozing van de omgeving en de oorzaak.’

Publicatiedatum: 30-01-2020
Datum laatste wijziging :09-02-2020
Auteur(s): Mendel Wemerman,
met medewerking van Jos van der Lans en Gert Jongetjes die het Kongresverslag ter beschikking stelde.
Verwante vensters
Extra Politisering
Sociaal werkers hebben de taak om behalve individuele ook veel meer structurele problemen aan te pakken, betoogde oud-lector Margot Scholte in haar Marie Kamphuislezing in 2017. Dat bracht een debat opgang over politisering van het sociaal werk. Gaan we de jaren zeventig overdoen of gaat het om iets heel anders? Is er een 21e eeuwse variant van politisering. Een term die daarbij vaak valt is ’mensenrechten’ als het DNA van het sociaal werkers. Waar deze in het geding zijn dient de werker zijn stem te verheffen. In Vlaanderen is dat debat al veel verder gevorderd. De discussie is uitgemond in een consensus dat sociale rechtvaardigheid en mensenrechten inderdaad de ‘basisopdracht’ van het sociaal werk vormen en dat het handelen daarop gericht moet zijn en aan getoetst kan worden.

Zie het dossier over politisering en sociaal werk op socialevraagstukken.nl.
Aanvullend materiaal
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste