NIEUW
Kind van de verzorgingsstaat Rob van Essen
Kind van de verzorgingsstaat
Opgroeien in een tijdloos paradijs

Atlas Contact, Amsterdam, 2016
ISBN 978-90-254-4699-4
€ 19.99
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
Wie de verzorgingsstaat eens op een andere manier wil bezien dan via beleidsnota’s en evaluaties, leze Kind van de verzorgingsstaat – opgroeien in een tijdloos paradijs van Rob van Essen (1963). Op basis van eigen ervaringen beschrijft Van Essen hoe het was om als kind op te groeien in een wereld waar ‘alles al geregeld was’. Dat is soms hilarisch, maar de ondertoon is er een van beklemming en tragiek: hoe goed bedoelde arrangementen een generatie kunnen verhinderen volwassen te worden…

Een paar feiten: Van Essen groeit op in een tamelijk streng protestant gezin. Op het gymnasium loopt hij vast: voor het behalen van het eindexamen gaat hij in een winkel werken. Hij wordt werkloos, trekt naar Amsterdam en leeft daar jaren van zijn uitkering tot de verzorgingsstaat wat strenger wordt en hem aan het werk zet. Die feiten fungeren als houvast voor een serie persoonlijke herinneringen: familiebezoek, het WK voetbal in Argentinië, demonstreren tegen de neutronenbom en zo nog meer.

Wat echter vooral bijblijft is de ondertoon van ironie en de eindeloze jaren van vrijblijvendheid. Neem bijvoorbeeld dat demonstreren. Van Essen deed het vaak; hij riep leuzen, scandeerde, zong en klapte… maar nooit helemaal van harte, altijd met een gevoel van gêne en ironie ‘dat je je nooit helemaal kunt geven, dat de achterdeur altijd op een kiertje staat om spoorslags en spoorloos door te verdwijnen.’ Doel van die ironie is jezelf relativeren, betoogt Van Essen: anderen waren belangrijker. Zoals de onderdrukte arbeiders elders in de wereld, die altijd wel een demonstratie waard waren: ‘Op een of andere manier waren het echtere mensen, niet bleek en verweekt, zoals wij.’ (136)

Daarmee is de toon wel gezet: Van Essen voelt zich een bleek en verweekt kind. En dat komt door de verzorgingsstaat, die mensen als hij immers in de watten legt, met nefaste gevolgen, niet alleen voor Van Essens generatie, maar ook voor de verzorgingsstaat zelf. ‘Misschien was de verzorgingsstaat vooral geschikt voor de generatie die hem heeft zien ontstaan, de “stille generatie” van de naoorlogse wederopbouw die zich vlijtig voor het stelsel inzette, niet in de laatste plaats omdat ze de chaos en gruwel van de oorlog had meegemaakt. Voor latere generaties was het systeem een gegeven, iets waartegen je je kon afzetten zonder dat je je hoefde te onttrekken aan de voordelen ervan.’ Een tijdloos paradijs, dat helaas niet als eigen voelt. Immers: ‘…als het je echt gaat vervelen, breek je het af. Soms lijkt het alsof we puur uit verveling de slinger van de tijdgeest weer eens de andere kant op laten slingeren. Links verveelde ons, met alle verworvenheden die daarbij hoorden; laten we die verworvenheden afschaffen, laat iedereen eens voor zichzelf zorgen, kijken wat er dan gebeurt.’ (217)

Zo blijkt het bleke en verweekte kind een verwend kreng, dat het eigenlijk vertikt om volwassen te worden en daartoe lange tijd alle ruimte krijgt van de staat. De verzorgingsstaat als ‘tijdloze grabbelton’, ‘het volmaakte, al te volmaakte stelsel voor adolescenten met levensangst […]. Je zou zelfs kunnen zeggen dat mijn generatie níet volwassen werd in de jaren tachtig, omdat het niet hoefde.’ (219)

Van Essen wordt er zelf bij tijd en wijle ook erg droevig van en denkt bijna dankbaar terug aan het moment dat de sociale dienst hem verplichtte als tegenprestatie archiefwerk te gaan doen. Zijn ervaringen zullen niet representatief zijn voor de hele generatie van rond 1963, maar een ontluisterende kijk is het wel.

Nico de Boer


eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste