NIEUW
Op de schouders van reuzen Egbert Ottens, Hansje Galesloot, Johan van der Tol en Ard Klandermans
Op de schouders van reuzen
100 jaar Gemeentelijke Volkshuisvesting (in Amsterdam)

Gemeente Amsterdam, dienst wonen, Amsterdam, 2015
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
Dit boek gaat over honderd jaar gemeentelijke volkshuisvesting in Amsterdam. Dat wil zeggen, het is in 2015 honderd jaargeleden dat de Gemeentelijke Woningdienst is opgericht. Ook voor die tijd was al sprake van volkshuisvesting. De Woningwet dateert van 1901 en in 1905 is de eerste woningbouwvereniging onder die wet opgericht. En al in 1852 werd de Vereeniging ten Behoeve der Arbeidersklasse gesticht, die de eerste sociale woningbouw in Amsterdam realiseerde. Het ging toen nog om liefdadigheid: de betere klassen zamelden geld in voor de huisvesting van arbeiders. Deels uit werkelijke betrokkenheid. deels uit angst voor sociale onrust en besmettelijke ziekten (er waren in de jaren daarvoor choleraepidemieën uitgebroken). Na 1901 is meer sprake van zelforganisatie door arbeiders.
De gemeentelijke bemoeienis met de woningbouw begint evenmin met de vorming van de Gemeentelijke Woningdienst. Al in 1901 werd de Dienst Bouw- en Woningtoezicht opgericht. We kwam er met de Woningdienst een beslissende wending in de gemeentelijke betrokkenheid bij de volkshuisvesting. Van 'passief' toezicht verschoof de focus naar actief ingrijpen. De Woningdienst zag toe op de nieuwe woningbouwverenigingen, maar beheerde en bouwde ook zelfwoningen zoals de tuindorpen in Amsterdam-Noord. Wethouder Floor Wibaut en de eerste directeur van de Gemeentelijke Woningdienst Arie Keppler waren de drijvende krachten achter deze gemeentelijke dadendrang.

Het eerste deel van dit boek, Ik moet naar een kleinere woning omzien want mijn gezin wordt te groot (van de hand van Egbert Ottens), laat zien hoe de volkshuisvesting in Amsterdam begon. Deze publicatie verscheen in 1975 bij het zestigjarig bestaan van de dienst, inmiddels Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting geheten. Uit dit eerste deel blijkt dat er alle aanleiding was om de ‘woonkwestie’ op de agenda te zetten, Amsterdam had tal van krotten en kelderwoningen, waarin veel mensen noodgedwongen bij elkaar hokten. Op éénkamerwoningen van tien tot vijftien vierkante meter woonden hele gezinnen met vaak grote aantallen kinderen.
Het is aan mensen als Wibaut en Keppler en hun voorgangers en opvolgers te danken dat deze situatie werd doorbroken. Grote delen van de Ring 20-40 zijn onder hun invloed gebouwd. Soms door de gemeente zelf, zoals in Amsterdam-Noord, soms door corporaties en soms ook door particulieren. Na de oorlog volgde de periode van de wederopbouw, met de tuinsteden gekenmerkt door licht, lucht en ruimte. Grote aantallen woningen werden opgeleverd om de woningnood zo snel mogelijk te lenigen, met de Bijlmermeer als voorlopig slotakkoord.

Na dit eerste deel volgen vijf katernen die in 2008 en 2009 door de Dienst Wonen zijn uitgebracht (geschreven door Egbert Ottens, Hansje Galesloot en Johan van der Tol). Deze behandelen de geschiedenis van de volkshuisvesting van 1975 tot 2005. Ook in 1975 stond Amsterdam er niet best bij. Jaren van 'overloop' -vertrek van Amsterdammers naar buurgemeentes als Purmerend en Alkmaar - hadden geleid tot een gestage bevolkingsdaling. Binnenstadswijken als de Jordaan en Nieuwmarkt en de gordel van 19de-eeuwse wijken waren er slecht aan toe. Ingrijpende saneringsplannen waarbij hele wijken zouden worden platgegooid verdwenen door acties van bewoners in de prullenbak, maar nieuwe stadsvernieuwingsplannen waren toch hard nodig. Het was Jan Schaefer die met collega-wethouders als Michaël van der Vlis Amsterdam uit het slop haalde. Met een ongekend omvangrijk bouwprogramma werd de overloop afgestopt en kreeg de stadsvernieuwing een beslissende impuls. Dankzij die impuls mocht Amsterdam zich tegen de eeuwwisseling verheugen in de belangstelling van de markt. Daardoor, maar ook doordat in het gemeentelijk beleid ruimte werd gemaakt voor marktinvloeden, kon de opmars van het eigen woningbezit van 7 procent in de jaren 1980 naar bijna 32 procent in 2013 plaatsvinden. Zo heeft Amsterdam in die periode ook een enorme kwaliteitssprong doorgemaakt. De huidige staat van de stad verschilt hemelsbreed van die van veertigjaar geleden. De titels van het eerste en vijfde katern in deze reeks spreken dan ook voor zich: van 'Amsterdam huilt' (deel 1) naar 'Amsterdam lacht' (deels).

Ter gelegenheid van deze boekuitgave is aan de reeks van vijf katernen een zesde toegevoegd over de periode 2006-2015 (geschreven door Art Klandermans). Dit katern beschrijft de periode van economische recessie, waarin het even leek alsof het tij definitief was gekeerd. Woningbouwcijfers zakten dramatisch in, de corporatiesector verkeerde in crisis en de vernieuwing van de naoorlogse wijken dreigde definitief te stoppen. Aan het einde van deze periode blijkt niets minder waar. De Amsterdamse woningmarkt is weer even overspannen als in voorgaande jaren, er wordt meer gebouwd dan we sinds Schaefer gewend zijn geweest en de bevolking groeit. Het is onder andere aan de inspanningen van mensen als Wibaut, Kepler en Schaefer te danken dat Amsterdam nu de veerkracht heeft om ook in tijden van crisis overeind te blijven. Dat zijn, in de woorden van de middeleeuwer Bernardus van Chartres de "reuzen op wiens schouders we staan". Degenen op wier inzet en inzicht volgende generaties verder hebben kunnen bouwen aan de stad.

Delen van het eerste deel van deze publicatie, geschreven door Egbert Ottens, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Dienst Volkshuisvesting in Amsterdam zijn opgenomen in de Canon volkshuisvesting.
Zie hier de stukken over De woningwet 1901 en Liefdadigheid


eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste