1921 Pier de Boer - ’ambtenaar van de nazorg’
’Mijn instrumenten zijn mijn schoenen’
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De leerlingenaantallen in het Buitengewoon lager Onderwijs (BLO) liepen rond de Eerste Wereldoorlog op. Dat leidde bij de direct betrokkenen tot grote zorgen over wat er met de oud-leerlingen, die als een potentieel risico voor de samenleving werden gezien, na het verlaten van de school zou gebeuren. Een flink deel van deze oud-leerlingen kon zichzelf niet of nauwelijks staande houden in de samenleving. Er ontstonden verschillende initiatieven om de zorg voor deze groep vorm te geven. In Den Haag werd geëxperimenteerd met ondersteuning door vrijwilligers, in Rotterdam met een verlengde opleiding voor BLO-ers, in Dordrecht begon Aad Wepster (1884-1964), hoofd van de Dordtse BLO-school met een werkinrichting voor de oud-BLO-ers die het in het bedrijfsleven niet redden.

De zorg voor oud-leerlingen van het BLO kreeg vanaf 1921 definitief vorm, toen in Amsterdam de Haarlemse BLO-onderwijzer Pier de Boer als ‘ambtenaar voor de nazorg’ werd aangesteld. Hij werkte aan een BLO-school van de ‘Vereniging voor Spraakgebrekkige en Achterlijke Kinderen’, waar hij veel meer deed dan lesgeven. Hij zorgde voor baantjes voor ex-leerlingen en hield ze uit de problemen. Hij was er goed in, maar voor de meeste schoolmeesters was dat een te grote belasting. De gemeente Amsterdam stelde hem daarom in 1921 aan om schoolverlaters aan passend werk te helpen.

Als ‘ambtenaar voor de nazorg’, de eerste in Nederland, geloofde Pier de Boer dat het merendeel van de jongeren uit het BLO met goede en doortastende begeleiding en nazorg heel goed in de samenleving aan de slag kon. Voor dit type nazorg moest hij een methode uitvinden: contact leggen met de leerlingen en hun ouders, hen motiveren, contact leggen met de BLO-scholen, met psychiaters, informatie verzamelen over wat de oud-leerlingen wel of niet konden aan de hand van speciaal ontwikkelde formulieren, kennis van de lokale arbeidsmarkt verzamelen en persoonlijke contacten zoeken met werkgevers.
Dit type professionele nazorg bleek de weg om te gaan; de experimenten in Den Haag en Rotterdam mislukten beide. Alleen de beschermde werkvoorziening, zoals Aad Wepster die in Dordrecht was begonnen, hield stand en werd een standaard onderdeel van de professionele nazorg, als voorziening voor oud-leerlingen van het BLO die niet in het bedrijfsleven terecht konden en zo buiten de internaten gehouden konden worden.

Pier de Boer was een gedreven man, een uitstekend organisator, overtuigd sociaaldemocraat en iemand die zijn ziel in zijn werk legde. ‘Mijn instrumenten zijn mijn schoenen’, zei hij vaak. Hij sjouwde dag in dag uit voor zijn pupillen, zocht werk, bepraatte werkgevers, vaders, moeders en echtgenoten, bezocht gezinnen, scholen, fabrieken, inrichtingen en tehuizen. Hij organiseerde spreekuren op BLO-scholen, bezocht oud-leerlingen in de eerste twee jaar na hun tewerkstelling bij een werkgever en bleef degenen die het nodig hadden ook daarna begeleiden. Hij kende zijn ‘jongens en meiden’, hij kende zijn stad, hij kende de arbeidsmarkt en achter zijn stompje sigaar of walmend pijpje zag men hem door de stad trekken ‘beladen met zijn papieren en de zorgen van anderen’. Met die gedrevenheid zette hij – voor de groep die moeilijk aan de slag kon – in Amsterdam ook meerdere werkinstellingen op. In 1931 stond De Boer aan de wieg van de overkoepelende stichting AGO (Arbeidsinstellingen voor Geestelijk Onvolwaardigen).

Het voorbeeld van Pier de Boer vond navolging. In 1925 werd in Haarlem de tweede nazorgdienst opgezet en in 1929 waren er tien organisaties in het land die nazorg boden. De nazorgwerkers waren in hun pioniersjaren voor een groot deel wandelende arbeidsbureaus. Leidend was het doel om de voormaluige leerlingen van het buitengewoon onderwijs uit de gestichten te houden. Daarbij moest het gangbare idee overwonnen worden dat zwakzinnigen alleen maar overlast veroorzaakten of zelfs gevaarlijk waren. De nazorgwerkers waren gedreven boodschappers van het tegendeel: deze mensen kunnen, mits ze voldoende begeleid worden en normaal positief worden bejegend, een nuttige bijdrage leveren.

In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was er nauwelijks sprake van enige vorm van landelijk beleid: het stond gemeenten vrij om deze zorg ter hand te nemen en naar eigen inzicht in te richten. Wel werkten de betrokkenen organisaties op landelijk niveau samen. Daarbij waren zij – en dat was tamelijk uniek – zuil-overstijgend: socialisten, liberalen, protestants-christelijken en katholieken werkten samen in de Nederlandse Vereniging Nazorg Buitengewoon Onderwijs. De meeste nazorginstellingen overleefden, ondanks de enorme groei van de werkloosheid, de crisis van de jaren dertig en de daaropvolgende Tweede Wereldoorlog. Er was zelfs sprake van een gestage toename van het aantal pupillen dat werd begeleid. In 1937 maakten 4.814 ‘zwakzinnigen’ (zoals het toen in de statistieken stond) gebruik van de nazorgdiensten, van wie 75 procent oud BLO-leerling was. Tijdens en na de oorlog zette de groei zelfs stevig door tot 17.869 cliënten in 1947. Het argument dat nazorg de veel duurdere instellingszorg kon voorkomen werd daartoe effectief ingezet.

In de eerste naoorlogse jaren zette de groei van het aantal nazorginstellingen door. Ze kregen de naam ‘Sociaal Pedagogische Diensten’ (SPD’s). Deze ontwikkelden zich, na de invoering van de AWBZ in 1968, tot een landelijk dekkend netwerk, waar de rijksoverheid steeds nadrukkelijker haar stempel op drukte, zodat de begeleiding niet langer afhankelijk was van de welwillendheid van lokale bestuurders. Daar kwam bij dat de samenleving snel veranderde en daarmee ook de vragen en verwachtingen van cliënten (en hun naasten). In dat nieuwe klimaat verschoven de taken van de SPD’s van voorkomen van instellingszorg naar het bevorderen van zelfstandigheid en inclusie op alle levensgebieden. De term nazorg werd ingeruild voor ‘cliëntondersteuning’. Een belangrijk aspect daarvan was de onafhankelijke positie naast de burger, als ondersteuning van zijn positie tegenover instanties en als gids door de regelgeving. In 2001 werd de taakstelling uitgebreid naar mensen met een lichamelijke, visuele of zintuiglijke beperking, niet-aangeboren hersenletsel (NAH), autisme en chronisch zieken. De naam veranderde in MEE (zie kader).

Door de invoering (2007) en uitbreiding (2015) van de Wet maatschappelijke ondersteuning krijgen gemeenten, net als in de vooroorlogse situatie, weer een bepalende rol in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, met dien verstande dat het belang van cliëntondersteuning inmiddels expliciet in de wet is vastgelegd. Daarmee lijkt het experiment dat De Boer in 1921 begon terug bij af. Met dat verschil dat het idee dat mensen met een beperking in de samenleving een plek moeten vinden, veel meer dan in de jaren twintig gemeengoed is geworden. De toegang tot de ‘aparte’ sociale werkplaatsen wordt zelfs met ingang van 1 januari 2015 vanuit die overtuiging zo goed als afgesloten.

Of Pier de Boer dat een goed idee zou vinden, zullen we helaas nooit weten. Hij overleed op 28 oktober 1945 op 61-jarige leeftijd. Hij wordt tegenwoordig nog herinnerd als naamgever van een prijs voor vernieuwende prestaties in de dienstverlening voor mensen met een verstandelijke beperking en van de Pier de Boer-stichting die zich richt op de ondersteuning van instellingen in de sfeer van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking in de regio Amsterdam. Ook stond hij aan de wieg van SPZ-stichting, de Nederlandse Stichting tot bevordering van de sociaal-pedagogische zorg.

Publicatiedatum: 01-09-2012
Datum laatste wijziging :05-06-2020
Auteur(s): Luc Brants,
Verwante vensters
Extra MEE maakt meedoen mogelijk
De Sociaal Pedagogische Diensten hadden hun krachten gebundeld in de Vereniging Somma, die onder andere een beroepsopleiding voor cliëntondersteuning aanbood. In 2001 oriënteerden de SPD’s zich op een nieuwe koers. Gekozen werd voor laagdrempelige cliëntondersteuning voor mensen met een beperking, geboden door een veelzijdige, transparante, maatschappelijk betrokken organisatie. De nieuwe naam werd ‘MEE’; een naam die de relatie tussen consulent en cliënt symboliseert: gelijkwaardig, betrokken, simpel, krachtig, gericht op mogelijkheden en met een positieve uitstraling. MEE staat voor: ‘MEEdoen mogelijk maken’. De vereniging van de MEE-organisaties wordt MEE Nederland en staat voor een landelijk dekkend netwerk van de 20 regionale MEE-organisaties.
De decentralisaties van 1 januari 2015 hebben voor MEE grote gevolgen gehad, omdat een belangrijk deel van de financiering vanaf dat moment van gemeenten moest komen. MEE-medewerkers zijn daardoor in nogal wat gemeenten onderdeel gaan uitmaken van sociale wijkteams, en meer als generalist gaan werken. Critici menen dat daarmee de deskundigheid om mensen met een verstandelijke beperking snel en adequaat te ondersteunen dreigt te verdampen. Overigens is MEE daardoor niet van de kaart verdwenen. In 20 regio’s kunnen mensen nog altijd zich bij MEE melden om hun weg te vinden in de wereld van zorg en ondersteuning. Zie: de website van MEE.
Verder studeren
  • Brants, L. (2004), Leiding moeten zij hebben. Geschiedenis van de sociaal-pedagogische zorg voor mensen met een verstandelijke handicap tussen 1900 en 1945. Leuven/Apeldoorn; Garant.
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste