Het landschap, de mensen Auke van der Woud
Het landschap, de mensen
Nederland 1850 - 1940

Prometeus, Amsterdam, 2020
ISBN 978 90 446 4593 4
€ 29.99
Bestellen
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste
In Het landschap, de mensen beschrijft Auke van der Woud in 45 hoofdstukken hoe het Nederlandse landschap in een eeuw tijd, zo tussen 1850 en 1940, grondig op de schop ging en nuttig werd gemaakt. Voordien was het landschap kleinschalig, oneffen en onregelmatig en waren er grote woeste gebieden, zoals zandverstuivingen, heidevelden, moerasland en veengebieden. Dit grondgebied werd ontgonnen, ontwaterd, vlak gemaakt en diep omgeploegd. Waterlopen werden verlegd en rechtgetrokken. De landbouwwetenschap ging bepalen welke dieren en planten nuttig waren en welke schadelijk, en hoe de eerste productiever konden worden gemaakt en de laatste konden worden verdelgd. Als ideaalbeeld gold het rationele landschap van de nieuw ontgonnen Wieringermeer, waar de landbouw kon worden bedreven volgens wetenschappelijke methoden en met tijdbesparende machines. De gebruikers van dit nieuwe landschap leerden ook, dat ze moesten ‘intensiveren’, dat wil zeggen het maximale halen uit de koeien en de grond.
Had Van der Woud het hierbij gelaten, dan was het alleen een interessant boek geworden voor liefhebbers van de geschiedenis van de ruimtelijke ordening, de bestrijding van wateroverlast, de landbouw of de opkomende natuurbescherming. Die komen volop aan hun trekken. Met gebruikmaking van veel citaten uit boeken, tijdschriften en rapporten uit die tijd schetst Van der Woud een levendig beeld van de ontwikkeling op deze terreinen. Daarbij heeft hij veel oog voor regionale verschillen. Zand of klei, hoogveen of laagveen, heidegebied of polderland, duingebied of droogmakerij – elk landschap stelt zijn eigen eisen aan het gebruik en het is fascinerend te lezen hoe dat gebruik in de loop der tijd veranderde.

Mensen
Maar het gaat niet alleen over het landschap, maar ook over de mensen. De mensen die in de provincie woonden en werkten en vaak een armoedig bestaan leidden. En de mensen die vonden, dat door toepassing van wetenschap en techniek de opbrengst van de grond verbeterd kon worden en daarmee ook de levensstandaard van de bevolking. Daarmee wordt het boek ook interessant voor de Canon Sociaal Werk.
Een sleutelpassage is te vinden in hoofdstuk 14 over het verschijnen van de moderne cultuur op het platteland. Van der Woud vertelt daar (p. 115) het verhaal van de Bororo-indianen in het Amazonegebied, dat hij ontleent aan het boek Tristes Tropique van de Franse antropoloog Claude Levi-Strauss. Deze Indianen waren gewoon om in een cirkelvormig dorp te leven met als middelpunt een grotere hut. Maar de verdeling van de hutten in het dorp en het gebruik van de grotere hut was niet willekeurig. De vorm, de indeling en het gebruik van het dorp markeerden voor de Bororo de grondslagen van hun cultuur. Toen de westerse missionarissen hen kwamen bekeren, beseften zij, dat zij daarin pas zouden slagen, als zij de Bororo zouden kunnen overhalen om te verhuizen naar een nieuw dorp. Daar stonden de huizen in keurige rijtjes. Van der Woud citeert dan Levi-Strauss: “Gedesoriënteerd inzake hun belangrijkste vaste punten, beroofd van de plattegrond die het bewijs van hun weten vormde, verlroen de inboorlingen snel hun gevoel voor tradities, alsof hun sociale en religieuze stelsels, (…) die een onlosmakelijk geheel vormen, te ingewikkeld waren om het zonder het schema te kunnen stellen dat hun dorp duidelijk toonde.”

Losweken uit oude bestaan
Zou de rationalisering van het oude Nederlandse landschap een vergelijkbare uitwerking hebben op de plattelandsbevolking, vraagt Van der Woud zich af en zou die ook bedoeld zijn om haar bewoners los te weken uit hun oude primitieve bestaan en hen te bekeren tot het technische denken en de moderne cultuur? Het zijn haast retorische vragen. Het boek staat vol voorbeelden, dat een herinrichting van het landschap ook een verandering in leefwijze en cultuur meebrengt, direct of indirect. Zo leidt een aansluiting op het snel groeiende spoorwegnet in de tweede helft van de negentiende eeuw niet alleen tot een snellere afvoer van landbouwproducten naar de steden (en daarmee ook tot een grotere productie), maar ook tot meer contacten met de stedelijke cultuur en een uitbreiding van de materiële behoeften bij de plattelandsbevolking.

Armoede
Een paar hoofdstukken zijn in het bijzonder van belang voor gebruikers van de Canon Sociaal Werk. In hoofdstuk 9 (de plaggenhut, de keet en het arme volk) probeert Van der Woud inzichtelijk te maken, dat de negentiende eeuwse kijk op armoede verschilde van de huidige opvatting. Wij hebben tegenwoordig vooral oog voor de financiële kant en de beperkingen die daaruit voortvloeien voor de sociale netwerken en de lichamelijke en psychische gezondheid. In de negentiende eeuw golden andere nuanceringen. Materieel arm was een groot deel van de bevolking. Arm zijn maakte je nog niet tot arme. Armoede had immers ook een morele kant. “Eergevoelens en onafhankelijkheid, zelfredzaamheid, speelden een belangrijke rol.” (p. 71) Verdiende je weinig met je werk, dan was je hooguit ‘behoeftig’ of ‘armoedig’, je was pas een arme als je bedeeld werd zonder tegenprestatie.

Te werk gesteld
Hoofdstuk 10 over de landbouwkolonies, waar structureel werklozen en bedeelden te werk werden gesteld om woeste grond vruchtbaar te maken, kent de meeste vertrouwde namen. Allereerst natuurlijk de Maatschappij van Weldadigheid van Johannes van den Bosch, maar ook ‘Nederlands Mettray’ in Eefde en het Rijksopvoedingsgesticht Veldzicht, waar jongeren via onderwijs, orde en regelmaat, en veldarbeid werden gecorrigeerd. Economisch waren deze initiatieven geen succes, maar tot rond de vorige eeuwwisseling werden er pogingen ondernomen. Zo kocht de Oranjebond van Orde in 1893 een stuk heide aan de zuidkant van Apeldoorn en bouwde daar 18 arbeiderswoningen voor arme gezinnen, die daar de waardeloze grond vruchtbaar zouden kunnen maken en een boerderijtje konden starten. De Amsterdamse ondernemer P.W. Janssen, bekend als financier van ‘ volkshuis Ons Huis’, kocht in 1897 een heideveld in Friesland en liet daar 13 kleine boerderijen voor landarbeiders bouwen: de Janssenstichting bij Waskemeer. Maar rond diezelfde tijd won het inzicht veld, dat filantropische projecten die werklozen uit de stad een leven als boer op een ontginning boden, weinig kans van slagen hadden omdat zij daarvoor de nodige vaardigheden misten. Landontginning werd sindsdien aan professionals overgelaten, met de Heidemaatschappij (uit 1888) als voortrekker. Er zou nog één uitzondering komen: de grootschalige werkverschaffing in de jaren dertig (hoofdstuk 18).

Stedelijke cultuur
Het landschap, de mensen is een aanrader voor mensen, die meer zicht willen krijgen op de fundamentele verandering die de opkomst van het technisch denken heeft betekend voor onze cultuur en samenleving. Je kan die verandering ook zien als het doordringen van de stedelijke cultuur op het platteland. Bij het aanpassen van de plattelandsbevolking aan de moderne leefregels van de grote stad, zoals geloven in efficiëntie en weten dat tijd geld is, heeft het opkomende sociaal werk denk ik een grotere rol gespeeld dan Van het Woud aangeeft. De Drentse Commissaris van de Koningin J.T. Linthorst Homan wordt een aantal keren vermeld in verband met de Heidemaatschappij, maar onvermeld blijven de Centrale Vereniging voor de Opbouw van Drenthe en andere initiatieven die hebben bijgedragen tot het ontstaan en de ontwikkeling van het opbouwwerk. (Zie daarvoor: Canon samenlevingsopbouw.) Maar Van der Woud biedt wel meer inzicht in het denkmodel, van waaruit dit opbouwwerk is ontstaan.

Jan Maasen


Beoordeling redactie:
eerste   vorige   overzicht   volgende   laatste