De dominee en de koopman Frits van Oosten
De dominee en de koopman
Sociale vernieuwers in de 19e eeuw

Ginkgo, Leiden, 2020
ISBN 978-90-71256-80-6
€ 15.00
Bestellen
    overzicht   volgende   laatste
Dit kleine (86 pagina’s), maar toegankelijk en informatief geschreven boekje brengt in beeld hoe twee belangrijke sociale vernieuwers, ds. Abraham Rutgers van der Loeff en Herman Zaalberg, in een vroeger welvarende, maar een dan verpauperde middelgrote provinciestad Leiden, in de negentiende eeuw te werk gingen. Ds. Rutgers van der Loeff is opgeleid aan de modernistische theologie-opleiding in Groningen en wordt in Leiden predikant van de Pieterskerk. Hij wordt ook de protestantse geestelijke van de zogenaamde Armenkerk, de kerk voor de armen die ondersteund werden door de diaconie, en in ruil daarvoor verplicht waren om de kerk te bezoeken. Later wordt hij nog predikant van de Militaire gevangenis. Herman Zaalberg is de zoon van een welgestelde lakenkoopman en tevens secretaris van de Hervormde diaconie. Zij wilden iets doen aan de ontstellende armoede en aan het gebrek aan scholingsmogelijkheden voor de allerarmsten. Zij zagen ook hoe de telkens weerkerende epidemieën onder de armen veel meer slachtoffers maakten dan onder de welgestelde bovenlaag.
Het boekje beschrijft ook de controverse tussen de modernen, waar ds. Rutgers van der Loeff een vertegenwoordiger van was en de conservatieven, een controverse die uitmondde in een enorm conflict tussen kerk en de gemeentelijke overheid. Een conflict dat erom ging of kerk en staat gescheiden moeten optrekken rondom de armenzorg, wat niet los gezien kan worden van het nog onder grote delen van de bevolking heersende conservatisme. Voor hen beiden is duidelijk dat de voorzieningen van de kerk voor de armen, het uitreiken van brood en turf niet voldoende zijn. Zij zijn ervan overtuigd dat scholing hier op de duur verbetering in kan brengen. Opvallend is dat er voor de mensen die zij willen bereiken, de allerarmsten, geen kerkgang tegenover hoefde te staan, bijzonder omdat in die tijd dat wel gebruikelijk was in de door de kerk verstrekte steun. Kennelijk is het voor Rutgers van der Loeff niet bezwaarlijk om dan toch predikant in de Armenkerk te zijn.

Zaalberg
Zaalberg, die zich uit het ouderlijk bedrijf heeft laten uitkopen omdat hij zich niet kan vinden in de sociale omstandigheden van het bedrijf, begint een offensief om kinderarbeid voor kinderen onder de 14 jaar te verbieden. Tevens wil hij de werktijden voor oudere kinderen verkorten, een initiatief dat het niet gehaald heeft.

Rutgers van der Loeff
Rutgers van der Loeff richt een bewaarschool op voor de allerarmsten en een jaar later wordt als vervolg hierop een lagere school opgericht, uitsluitend voor die ouders die niets zelf kunnen betalen voor onderwijs. Hij is oprecht geschokt over het niveau van de leerkrachten en richt daarom in 1867 ook nog een kweekschool voor bewaarschoolhouderessen op, de latere Haanstra-kweekschool met internaat. Het internaat heeft tot 1963 bestaan. Het is in Nederland de eerste kweekschool met een complete dagopleiding. Rutgers an der Loeff, hoewel predikant, laat zich ook kennen als een echte ondernemer. Hij sticht ook nog de Kweekschool voor de Zeevaart en dat alles door geld te werven in zijn uitgebreide netwerk, crowdfunding avant la lettre. Het moet een opleiding worden voor ‘jongens uit de behoeftige stand, een opleiding die in het topjaar 1885 al 887 aanmeldingen kende, jongens die bij hun aanmelding niet konden lezen of schrijven.
Later richt hij nog een school op voor jonge ex-gevangenen, wat niet lukt zonder subsidie van het ministerie. De subsidie wordt echter, na eerst wel toegekend te zijn, onverwacht en onbekend waarom, ook weer ingetrokken. De predikant/ondernemer Rutgers van der Loeff is ook nog actief in de maatschappijen voor veenafgravingen in o.a. Noord-Brabant waar hij zich opstelt als ‘sociaal aandeelhouder’. Hij wil goede woningen voor de arbeiders en een schooltje. En er moet natuurlijk een kerk komen.
Herman Zaalberg kiest na Leiden voor een heel andere carrière, hij wordt in 1868 burgemeester van Castricum en later van Heemskerk. Hij zorgt voor verharding van de vele zandwegen en ijvert voor een nieuwe openbare lagere school.

Beoordeling
Het boekje, vlot en toegankelijk geschreven, geeft duidelijk aan hoe sociaal bewogen mensen in de negentiende eeuw iets tot stand konden brengen, o.a. op grond van hun uitgebreide netwerk, maar in de eerste plaats omdat zij zagen dat de bestaande voorzieningen absoluut ontoereikend waren. Jammer is dat de auteur niet uitgebreider ingaat op het in de negentiende eeuw overal aanwezige verheffingsideaal. (zie bijvoorbeeld vensters 1784, Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen en 1892, Volkshuis Ons Huis) Dit ideaal is als achtergrond prominent aanwezig in de scholen die zij gesticht hebben, maar er wordt nauwelijks een woord aan gewijd. Ook zou het in een uitgave als deze op zijn plaats geweest zijn om iets te lezen over het zgn. subsidiariteitsbeginsel, d.w.z. dat de staat geen zaken naar zich toe mag trekken die particulieren zelf kunnen regelen. Dat betekende dat in die tijd de kerk altijd eerder steun verstrekte dan de staat.

Relevantie sociaal werk
Deze uitgave is relevant voor het huidige sociaal werk omdat het goed de altijd durende slingerbeweging laat zien tussen zorg van de overheid voor haar burgers en het particuliere initiatief en het gedeeltelijk samengaan daarvan. In de negentiende eeuw kwam de steun vooral van de kerk met aanvulling van de staat tot de komst van de armenwet in 1854. Maar ook met de komst van de Armenwet bleef de kerk de belangrijkste steunverlener. Met de Bijstandswet in 1965 kwam de hele uitvoering in handen van de overheid en was de heersende gedachte dat deze wet, in combinatie met andere wetten voor altijd de burgers zou vrijwaren van gebrek. En heel belangrijk: van gunst werd het een recht. Maar al in 1987 hield de Raad van Kerken een conferentie waar een verslagboek van gemaakt werd: ‘De arme kant van Nederland’ met de bedoeling aandacht te vragen voor de armoedeproblematiek. En aan het begin van de 21e eeuw ontstonden de voedselbanken, oorspronkelijk een particulier initiatief, die een ongekende groei en bloei doormaakten en doormaken. Oorspronkelijk een particulier initiatief, maar later vaak (voor een deel) geholpen door de plaatselijke overheid.

Eefje van Batenburg-Resoort

Beoordeling
Historische relevantie
● ● ● ● ○
Relevantie sociaal werk
● ● ● ● ●
Leesbaarheid
● ● ● ● ●
Illustraties
● ● ● ● ●


    overzicht   volgende   laatste