1978 Slachtofferhulp Nederland
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Eeuwenlang ging bij misdrijven de aandacht vooral uit naar de daders. Die moesten bestraft worden voor wat ze gedaan hadden en tegelijk klaargestoomd worden om na hun straf als goede burger opnieuw deel uit te maken van de samenleving. Het slachtoffer kreeg indien nodig natuurlijk wel onmiddellijke medische hulp, maar kwam daarna toch slechts vooral in beeld als getuige tegen de dader.
De niet-medische behoefte aan ondersteuning van slachtoffers kwamen sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw in beeld via het werk van Benjamin Mendelsohn (1900-1998), ook wel omschreven als de geestelijke vader van de victimologie. In een publicatie uit 1956 vraagt hij aandacht voor hulpverlening aan slachtoffers. Die verschuiving van focus krijgt langzaam meer draagvlak en sijpelt ook Nederland binnen. Zo ontstond in 1967 de Stichting Medeleven met Gedupeerden ten gevolge van misdrijven. En 1971 werd een congres gehouden over slachtoffers van delicten waar gepleit wordt voor goede voorzieningen, onder meer door financiële vergoeding voor letselschade. Maar eigenlijk zijn slachtoffers hier nog steeds van secundair belang. Het pleidooi voor goede voorzieningen voor slachtoffers was immers vooral ingegeven door de gedachte zo meer draagvlak te krijgen voor een humanere behandeling van daders.

Dat verandert vanaf midden jaren 70 wanneer er experimenten ontstaan van hulp aan slachtoffers, zoals in 1975 door Humanitas in Zuid-Limburg, in 1978 startte in Groningen het Centrum voor Slachtoffers Misdrijven en in Rotterdam het project Benadeelden van Misdrijven. In 1978 startten deze initiatieven het Overleg Hulp aan Slachtoffers. De context van deze ontwikkeling was die van ophefmakende gijzelingen (zoals de treinkapingen door Molukkers) en de opkomst van de emancipatiebeweging met onder meer het ontstaan van Blijf van mijn Lijf huizen. Het Overleg Hulp aan Slachtoffers groeide in 1984 uit tot een overkoepelende structuur, de Landelijke Organisatie Slachtofferhulp (LOS), onder impuls van onder meer Jan van Dijk. Het aantal vrijwilligers stijgt sterk en in 1992 zijn er al meer dan 70 projecten bij het LOS aangesloten. In 1989 wordt ook gestart met het Fonds Slachtofferhulp dat de afhankelijkheid van overheidssubsidies moet beperken. De projecten hebben ondertussen de naam Buro slachtofferhulp geadopteerd, het actieterrein wordt uitgebreid van slachtoffers van misdrijven naar andere slachtoffers, bv. van een verkeersongeval.

In 2002 fuseren alle projecten en werkingen tot Slachtofferhulp Nederland. Doelstelling was en blijft algemene hulpverlening (informatie en advies, emotionele ondersteuning, juridische ondersteuning, schaderegelingen) aan slachtoffers, mede met het oog op het preventief vermijden van post-traumatisch stress syndroom (PTSS, als zodanig benoemd op basis van de oorlogservaringen van Vietnamveteranen en in 1980 opgenomen in DSM). Het werk van Slachtofferhulp Nederland draait hoofdzakelijk op vrijwilligers die in ruim 70 regio’s actief zijn, ondersteund door professionals (momenteel ongeveer 1300 vrijwilligers en 300 beroepskrachten). Slachtofferhulp kwam ook duidelijk in beeld bij grote rampen als het neergestortte vliegtuig in de Bijlmermeer (1992), de vuurwerkramp in Enschede (2000) en de cafébrand in Volendam (2000/2001).

Slachtofferhulp is ook een mooi voorbeeld van hoe sociaal werk meer is dan intuïtief met de zorgbehoevende medemens om te gaan. Op basis van onze intuïtie zouden we immers iemand die een misdrijf of verkeersongval heeft meegemaakt daarover laten vertellen. Debriefing dus. Onderzoek laat echter zien dat de effecten daarvan eerder negatief zijn. Andere vormen van zorg, zoals watchful waiting, leiden tot betere resultaten.

Deze tekst werd geschreven door Jan Steyaert
Datum van eerste publicatie: 05-2013
Datum van laatste wijziging: 05-2013

Verder studeren
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste