1977 Lokale Dienstencentra (LDC) in Vlaanderen
Toen het ‘oudemannenhuis’ niet meer volstond…
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Precies 45 jaar geleden kregen dienstencentra een formeel kader. Het grootste aantal dateert echter van later, zoals het Antwerpse dienstencentrum dat nu zijn dertig jarig bestaan viert. Maar het is een hele sprong van de eerste ouderenzorg in de godshuizen van de Middeleeuwen naar de dienstencentra van nu. In de middeleeuwse religieuze context werden oude behoeftige weduwen en weduwnaars zo goed als afgezonderd. Rijken lieten – vaak bij testament – huisjes voor hen bouwen om zo hun hemel te verdienen. Nu vinden ouderen in dienstencentra een waaier van zorg en ontspanning, aanspraak- en participatiekansen omdat de samenleving daarvoor wil instaan. Hoe lang nog?
Elke tijd zoekt passende antwoorden op de zorg voor de bejaardenpopulatie, waarbij opeenvolgende generaties ouderen telkens andere behoeften formuleren en andere inbedding verwachten.

Door de toename van gezondheidszorg leven we langer, en zijn mensen ook langer in staat om zelfstandig te blijven wonen en te functioneren, zij het met extra ondersteuning. Dienstencentra bieden dit soort hulp: maaltijden, ontspanning, beweging, contact, extra verzorging. Ze doen dat op de schaal van de ouderen die dit soort bijkomende zorg nodig hebben: die van de wijk of de buurt.

Vlaamse dienstencentra konden officieel van start gaan op grond van het K.B. van 15 april 1977. Het model was wel niet een Belgische vondst, maar werd ontleend aan de Amerikaanse aanpak (multipurpose senior citizen centers – jaren ‘40 in New York, nu senior community centers). Franse clubs des personnes âgées (met klemtoon op recreatie) en Nederlandse voorbeelden (opgevat als wijkvoorziening) maakten de formule haalbaar en hanteerbaar.
Toch waren het niet de lokale overheden, maar wel de provinciebesturen die de aanzet tot realisatie gaven, eerst in West-Vlaanderen (1970), later in Antwerpen (1972) en Limburg (1976). Pas op grond van deze initiatieven werd het model veralgemeend.
De oorspronkelijke wetgeving is ondertussen al vaker aangepast, eerst in 1985 met extra beklemtoning van het kleinschalige wijkaccent, dan nog eens in 1994 waarbij de dienstencentra een draaipuntpositie wordt toebedeeld tussen zelfzorg, mantelzorg en professionele zorg. Tegelijk werd vastgesteld dat de concrete realisatie van dienstencentra veel te traag liep (slechts 20% van het geprogrammeerde volume). Gemeenten, en in eerste instantie hun OCMW’s die voor 4/5 de organisatie van dienstencentra op zich namen, hadden het moeilijk om te investeren. Daarnaast werd ook duidelijk dat dienstencentra alleen niet voldoende zouden zijn als ondersteuningsaanbod voor nog zelfstandig wonende ouderen. In 1998 werd het ouderbeleid globaal herzien en werden de dienstencentra ingeschoven in de bredere thuiszorgbenadering.
Eén van de tekorten van de formule is al meteen duidelijk: ze is minder bruikbaar voor meer landelijke gebieden. Daartegenover kan ze toch in de stedelijke omgeving bijzonder succesvol zijn, omdat ze daar zoveel behoeften tegelijk kan dekken. Niet in het minst die van de noodzakelijke contacten met anderen op een beheersbare schaal (m.n. de eigen wijk). Het is daarnaast ook duidelijk dat de formule vooral mensen uit de lagere bevolkingsgroepen aanspreekt. Het organiseren van zo’n gevarieerde aanbod heeft ook een pendant: het biedt nog jongere ouderen de kans op vrijwilligerswerk die hier dan uiterst nuttig kunnen bijspringen.

De viering van 30 jaar Den Bleek, een bejaardencomplex annex dienstencentrum in Antwerpen, illustreert dit perfect. Met dat als aanleiding hebben vrijwilligers een uitgebreide tentoonstelling opgezet over de geschiedenis van de wijk en van de plek waar het dienstencentrum (en de aanpalende serviceflats) in 1982 werden ingeplant. De hele tentoonstelling werd met erg veel ijver samengesteld en vol trots gepresenteerd.

Ondertussen staat de formule van het dienstencentrum minder centraal, want ook de populatie van 75+ heeft aan heterogeniteit gewonnen. Niet één (dienstencentrum) of twee formules (centra en serviceflats) dekken de diversiteit van hun behoeften. Er ontstaan nieuwe projecten waar die diversiteit in één beweging wordt vormgegeven: bejaardenappartementen, tijdelijke verblijven, winkels met aangepast aanbod, specifieke therapieën, een leercentrum enz.

Auteur(s): Wim Verzelen,
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste