1971 Belangenvereniging Minderjarigen
Breekijzer van de gesloten Kinderbescherming
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
De Jongeren Advies Centra (JAC) afficheerden zich als ‘alternatieve hulpverlening’, ze hielpen jongeren individueel. Maar voor de groep jongeren die afhankelijk waren van de jeugdzorg gebeurde er niks - er was geen vorm van collectieve belangenbehartiging. In die leemte ontpopte begin 1971 de Belangenvereniging Minderjarigen, kortweg BM. De BM werd opgericht vanuit Den Haag en Amsterdam als een vakbond voor kinderen die afhankelijk zijn van de kinderbescherming, en dan vooral die kinderen die in de vele tehuizen vertoeven. BM was een mengeling van ex-pupillen en kritische jongeren. Zij eisten – geheel in de geest van de tijd - inspraak, totale openheid in instellingen en betere materiële voorzieningen voor de kinderen. Ze wilden het recht krijgen om in de instellingen contact te mogen leggen met de kinderen. Pal na hun oprichting bracht de BM als eerste aanklacht achttien verhalen naar buiten van jongeren die veel langer dan de wet toestaat in eenzame opsluiting werden geïsoleerd. De wet stond maximaal vier dagen toe, in de inrichtingspraktijk kon het rustig drie weken worden volgehouden.

De BM-activisten melden zich aan de poort van tehuizen, demonstreren dat het een lieve lust is, en bezetten op 22 juni 1973 het kantoor van de Nationale Federatie voor de Kinderbescherming, uit protest tegen wat zij een koude sanering van de jeugdzorg noemen. Uiteindelijk bemiddelt Justitie-staatssecretaris Glastra van Loon hoogst persoonlijk en wordt aan de eisen van de bezetters tegemoet gekomen. BM’ers mogen meepraten over het toekomstige beleid.

Een klein jaar later, op vrijdag 31 mei 1974, dringen tientallen actievoerders van het JAC en de BM het terrein van de Heldringstichting in Zetten binnen, een inrichting voor moeilijk opvoedbare meisjes. Zij beschuldigen de inrichting van martelpraktijken, zoals het gebruik van isoleercellen, onrustbanden, verdovende injecties en koude douches. De actievoerders brengen een Zwartboek uit Zetten, zat, gezeten met naast klachten over het overmatig gebruik van isoleermethoden ook verklaringen van meisjes die melden door directeur/psychiater Finkensieper gedwongen te zijn zichzelf seksueel te bevredigen.
Aanhoudende acties leidden in 1975 tot het instellen van de commissie-Dijkhuis, die hoewel kritisch over de gang van zaken de klachten over seksueel misbruik met de mantel der professionele liefde bedekte. Onderzoek in het kader van de commissie-Samson in 2012 toont aan dat Dijkhuis c.s. expliciete signalen over misbruik domweg negeerden. Ze wilden het niet geloven. Finkensieper kon daardoor ongehinderd op zijn post blijven, zelfs algemeen directeur worden en zijn praktijk van seksueel misbruik jarenlang voortzetten. Uiteindelijk zou het tot 1989 duren voordat een reeks aangiften van slachtoffers, onder aanvoering van Annie Bijnoord, tot zijn val zouden leiden. Een aantal BM'ers van het eerste uur waren daarvoor actief geworden in het Steunpunt Zetten dat de acties van de slachtoffers van F. vanaf maart 1990 ondersteunde. Uiteindelijk werd Finkensieper tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Zetten was overigens niet de enige residentiële jeugdzorginstelling waar de BM aan de bel trok. De BM’ers – in totaal een groep van zo’n 250 actieve jongeren – doken op veel meer plaatsen op voor de poorten van jeugdtehuizen. De groep wist handig de publiciteit te bespelen en kreeg daardoor regelmatig de sympathie van het publiek en de politiek op haar hand. De Tweede Kamer nam in 1975 een motie aan waarin werd uitgesproken dat de BM toegang moest krijgen tot jeugdzorginrichtingen. Maar nota bene vooral rijksjeugdinrichtingen (waar de motie op gericht was) trokken zich daar in praktijk nauwelijks iets van aan. BM'ers waren er niet welkom, of slechts onder een compleet reglement aan voorwaarden.

Het aantal acties nam daardoor in de loop van de jaren zeventig alleen maar toe. De activisten bezetten gebouwen om het gedrag van groepsleiders (zoals in Kindertehuis Het Treekerbergje, Amersfoort 1976) of inhumane dwang- en regelregimes aan de kaak te stellen. Zo bezetten ze in augustus 1982 het observatiehuis Aaborg in Groningen, waar acht jongeren waren opgesloten. Ze eisten dat de groepsleiding en de directie van Aaborg een overeenkomst aangaan waarin een aantal nieuwe regels is vastgelegd. Namelijk: ‘dat er niet geslagen wordt, dat er onder geen enkele voorwaarde eten en/of drinken aan de bewoners wordt geweigerd, dat de paviljoenbewoners zelf uitmaken naar welke tv-programma’s ze kijken en dat iedere bewoner het recht krijgt rapporten in te zien die op hem betrekking hebben en eventueel van kritiek te voorzien.’ (Leeuwarder courant, 30 augustus 1982).

Een paar jaar eerder, op 25 september 1979, had de BM een Zwartboek gepubliceerd waarin misstanden in zestien rijksjeugdinrichtingen werden gedocumenteerd. De belangengroep was inmiddels het praten beu. Steeds opnieuw stoten ze op halsstarrigheid van directies die wel een keer wilden praten maar geen fundamentele openheid wilden betrachten. Ze wilde dat er nu eindelijk iets echt geregeld zou worden, anders zouden ze ‘tot harde acties overgaan’. Hun eisenpakket: toegang tot de inrichtingen, zodat er met jongeren gesproken kon worden; een wettelijke regeling van de rechtspositie van minderjarige bewoners van de Rijksinrichtingen; een volwaardig klachtrecht en niet een klachtrecht, zoals de regering had voorgesteld, dat aan allerhande voorwaarden en beperkingen was onderworpen.
De Belangenvereniging kreeg bijval van de Rotterdamse hoogleraar kinderrecht, prof. dr. G. P. Hoefnagels, die eerder in 1971 met Daan Mulock Houwer en Bram Peper al een Nieuw plan voor de kinderbescherming had gelanceerd. Hoefnagels kritiek loog er niet om. Hij hekelde de ongecontroleerde machtsuitoefening die nog steeds de kern van de cultuur uitmaakte: ‘De inrichtingen zijn zowel naar binnen als naar buiten toe gesloten. (…) Daar moet verandering in komen door het toelaten van de BM tot de inrichtingen. Natuurlijk zal het wel even wennen zijn voor Justitie en de directies van de inrichtingen, maar daar hebben ze nu al vijf jaar de tijd voor gehad. Het moet nu maar eens gebeuren.’

Uiteindelijk begint de gesloten cultuur van de residentiële jeugdzorg in de jaren tachtig en negentig af te brokkelen, niet in de laatste plaats omdat veel mensen die actief waren in of sympathie hadden met de alternatieve jeugdhulpverlening doordringen tot beleids- en directiefuncties in de jeugdzorg. In de loop van de jaren tachtig sterft de B< een stille dood. Een aantal leden van het eerste uur komt in maart 1990 nog in het geweer in het kader van Landelijk Steunpunt Zetten, dat opgericht wordt als ondersteuning van vrouwen die actievoeren om Finkensieper voor het gerecht te slepen. Ruim 25 jaar later, in 2015, buigt een heuse overheidscommissie, de commissie-De Winter, zich over de vraag hoe ernstig het geweld jegens jongeren in de jeugdzorg in de naoorlogse periode eigenlijk is geweest. Oftewel: het gelijk van de BM.

Publicatiedatum: 16-04-2016
Datum laatste wijziging :07-02-2017
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Verder studeren
Literatuur
  • PDF document Janet van Bavel, Guus de Beer, Erik van Ingen Schenau (1980), Jre voelt je als een beest. Isolaties van minderjarigen in Nedelrandse tehuizen.  Rotterdam: Uitgeverij Ordeman.
  • Carol Burgemeestre, Annemieke Vanwijnsberghe, Katrien de Klein (1983), Als je nog een keer wegloopt breken we je beentjes. Amsterdaam: uitgeverij Nada. [Het eerste boek met uitgebreide interviews met mensen die hun jeugd in kindertehuizen hebben doorgebracht.]
Aanvullend materiaal
Links
Bewegende beelden


Andere Tijden - zondag 23 september 2012. De zaak Finkensieper.

eerste   vorige   homepage   volgende   laatste