1984 Fred Spijkers
Maatschappelijk werker als klokkenluider
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Bedrijfsmaatschappelijk werker Fred Spijkers is het symbool geworden van de beroepsethiek van het sociaal werk. Daarvoor heeft deze inwoner van Culemborg een lange, en vaak eenzame strijd moeten voeren tegen een machtig apparaat: het ministerie van Defensie. Pas na 26 jaar kwam daaraan een einde toen het ministerie eind december 2010 na een uitspraak van de rechter klokkenluider Spijkers volledig eerherstel moest verlenen.

Het conflict ontstond in 1984 toen Spijkers opdracht kreeg van het ministerie om de weduwe van mijnexpert Rob Ovaa te vertellen dat haar man, eerder dat jaar verongelukt tijdens een legeroefening, door zijn eigen nalatigheid was omgekomen. Spijkers vermoedde echter dat de gebruikte mijnen ondeugdelijk waren omdat er in 1983 al een dodelijk ongeluk mee was gebeurd. Tijdens het gesprek met de weduwe Marjolein Ovaa op 14 september 1984 maakte Spijkers duidelijk dat hij was gestuurd en niet achter zijn boodschap stond. Vervolgens ontdekte hij dat de ondeugdelijkheid van de gebruikte soort mijnen al sinds 1970 bij het ministerie bekend was en dat hij op pad was gestuurd om schadeclaims te voorkomen.
Dat was een conclusie die het ministerie liever niet wilde horen. Alles werd uit de kast gehaald om aan te tonen dat er bij Spijkers een draadje los zat. Hij werd als een politiek crimineel afgeschilderd, en na psychiatrisch onderzoek voorzien van etiketten als ‘paranoïde’ en ‘schizofreen’. Zeer tegen zijn zin belandde hij in 1987 in de WAO.
Spijkers liet het er echter niet bij zitten. Hij spande meerdere procedures aan tegen zijn ontslag, maar ving ook op dat punt aanvankelijk bot. In 1997 oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het ontslag terecht en aan hemzelf te wijten was en dat er geen relatie was met de landmijnenzaak. Het ministerie weigerde ook verder nog bij te dragen aan zijn inkomen en zijn pensioenvoorziening.

Langzamerhand groeide echter de steun voor klokkenluider Spijkers. In 1999 kreeg hij de door de SP ingestelde Rooie-Reus-prijs. Ook opende hij in april 2000 met toenmalig FNV-voorzitter Lodewijk de Waal de klokkenluidersmeldlijn van de FNV. Uiteindelijk leidde dat tot een bemiddelingspoging van de Nationale Ombudsman en een onderzoek door de KPMG. In 2002 volgde daarop de publieke erkenning van het ministerie dat het Spijkers, de Tweede Kamer, de media en de samenleving achttien jaar lang systematisch had misleid. Spijkers werd een schadevergoeding toegezegd en zijn dossiers zouden worden geschoond van kwalificaties als "politiek crimineel" en "politiek psychiatrisch geval". In 2003 ontving Spijkers een onbelaste schadevergoeding van 1,6 miljoen euro en werd de ex-bedrijfsmaatschappelijk werker benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Daarmee was de kous nog niet af. Het ministerie weigerde volledig juridisch eerherstel te geven en stuurde Spijkers tegen alle afspraken in een belastingaanslag van 900.000 euro op zijn schadevergoeding. De publicatie, in 2006, van het boek Een man tegen de staat van de journalist Alexander Nijeboer bracht de kwestie opnieuw in een stroomversnelling. Niet in de laatste plaats omdat de Nederlandse staat en één van de betrokken topmilitairen bij de rechter poogden publikatie van het boek te voorkomen. Het boek beschrijft ondermeer gedetailleerd hoe bewindslieden in totaal 49 keer de Tweede Kamer voorlogen over deze klokkenluidersaffaire.
Uiteindelijk duurde het nog tot eind 2010 voordat Spijkers als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep volledig eerherstel ten deel viel. Het leven van Spijkers was inmiddels allang onherstelbaar ontwricht geraakt. Maar voor de beroepsethiek van het sociaal werk verdient hij een standbeeld, waarbij wel dient te worden opgemerkt dat de beroepsgroep van maatschappelijk werkers, bijvoorbeeld bij monde van de NVMW, zich al die jaren niets gelegen heeft laten liggen aan het lot van Spijkers.

Maar het belang van de strijd die Spijkers heeft gevoerd, is evident. In dat opzicht ziet Spijkers zelf deze zware periode niet als 'een verloren tijd', maar als een ervaring om vooruit te komen. Want met het vonnis erkent de rechter immers dat Spijkers beroepsethisch juist heeft gehandeld. De beroepscode zegt namelijk dat de maatschappelijk werker de uitvoering van van de doelstelling van zijn organisatie moet toetsen aan de voorwaarden voor een goede beroepsuitoefening. En dat moet je doen, zo heeft Fred Spijkers de beroepsgroep meer dan een kwart eeuw voorgehouden: naar eer en geweten.

Publicatiedatum: 15-03-2010
Datum laatste wijziging :15-05-2014
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Alexander Nijeboer, (2006), Een man tegen de staat. De strijd van defensieklokkenluider Fred Spijkers. Uitgeverij Papieren Tijger. ISBN 978 90 6728 195 9.
Literatuur
  • Externe link Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (2010), Beroepscode Maatschappelijk Werk. Derde, in 2010 herziene versie.
  • F. Klaase, (2008), Beroepsethiek voor Maatschappelijk Werk en Dienstverlening 192 pagina's, ThiemeMeulenhoff bv.
  • Jan H.G. Janssen (2007), De nieuwe code gedecodeerd. Maatschappelijk werk en beroepsethiek 199 pagina's, ThiemeMeulenhoff bv, 6e druk geactualiseerd.
  • Jaap Buitink, Jan Ebskamp, Richard Groothoff (2012), Moresprudentie. Ethiek en beroepscode in het sociaal werk. Uitgeverij ThiemeMeulenhoff in samenwerking met de NVMW.
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste