1947 Werken in wijken
Eb en vloed in aandacht voor de wijk
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Het maatschappelijk werk was traditioneel erg gericht op individuen en kleine sociale systemen zoals gezinnen. Soms had maatschappelijk werk andere vindplaatsen, zoals de woonplaats (zie Helene Mercier), het bedrijf (zie Marie Kruseman) of het ziekenhuis (zie Heleen ter Meulen). Rond de tijd van de Tweede Wereldoorlog kwam daar nog een extra vindplaats bij, de wijk. Op de platgebombardeerde puinhopen steden als Rotterdam en om de vele ontheemden terug een herkenbare plek te geven, richtte men veel hoop op de wijk. Met name vanuit Rotterdam werd die hoop het land uitgedragen, eerst door ir. A. Bos, directeur van de Rotterdamse Dienst Volkshuisvesting, een jaar later in 1947 via een prachtige brochure van W.F. Geyl, Rotterdamse ambtenaar van Openbare Werken. De publicatie Wij en de wijkgedachte zou met minimale aanpassingen nu opnieuw uitgegeven kunnen worden. We moeten twee observaties maken bij de toenmalige focus op de wijk. Enerzijds was die aandacht ook aan poging om de invloed van de verzuiling af te zwakken. Die was in de decennia voor en na de oorlog nog heel sterk (lees er De eeuw van mijn vader van Geert Mak maar op na). Tweede observatie is dat de wijkgedachte door tal van maatschappelijke invloeden ingegeven was (bv. ook het opbouwwerk) en het maatschappelijk werk op die beweging meeliftte.

De belangstelling voor de wijk kon niet zonder reactie blijven. Die kwam er van de toen nog relatief onbekende socioloog J.A.A. (Jacques) van Doorn. Hij zet zich af tegen de oprisping van opbouwenthousiasme en de cultuurpessimistische visie op de stad die er mee gepaard gaat. Het wordt gedreven door een wijkgedachte en miskent de wijkrealiteit. Daarover tekent hij de uitspraak op “De meeste wijkgemeenschappen en plaatselijke gemeenschappen zijn in feite morsdood.” Met zijn argumenten en toenemende status sprak hij eigenlijk een grafrede uit over de wijkgedachte, die dan ook voor jaren afgevoerd werd.

In latere decennia komt de wijkgedachte echter terug opzetten. In de jaren 80 zien we de opkomst van de wijkwelzijnsplanning en de doorwerking van de decentralisatie van sociaal beleid (Knelpuntennota uit 1974, welzijnswet van 1987). Bovendien komt de wijk ook in beeld vanuit de vermaatschappelijking van de zorg, onder meer met kwartier maken en maatschappelijke steunsystemen. In de jaren 90 komt de wijk dan weer bovenaan de sociale agenda te staan met de sociale vernieuwing en het Grotestedenbeleid. Daarbij lag het accent echter minder op maatschappelijk werk maar wel op de opwaardering van in sociaal-economisch opzicht afgegleden wijken. Het was dus meer een hernieuwde aandacht voor de wijk vanuit het perspectief van opbouwwerk, waarbij wel veel aandacht ging naar inspraak en interactieve beleidsvorming.
Opnieuw komt er weer tegenwind, ditmaal van hoogleraar opbouwwerk Jan Willem Duyvendak die het heeft over de mythen van de wijkgedachte en de buurt als guur oord of kuuroord. De socioloog wordt gehoord, maar heeft minder invloed dan zijn voorganger want de wijkgedachte blijft populair. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het invloedrijke rapport van de WRR in 2005: Vertrouwen in de buurt. In de Wmo krijgt die via het eerste prestatieveld (bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid) ook een stevige verankering in het maatschappelijk werk. Men zag die sociale samenhang immers vooral als basis voor buurtgebonden informele zorg.

In het tweede decennium van onze eeuw krijgt die ontwikkeling nog versterking. Het succes van Buurtzorg Nederland in het werken in de thuiszorg met kleine buurtteams slaat over naar het maatschappelijk werk en overal schieten sociale wijkteams als paddenstoelen uit de grond. Het is een kniesoor die opmerkt dat de term sociale wijkteam wel een heel ruim containerbegrip wordt waar zo’n beetje alles onder past.

Publicatiedatum: 14-04-2014
Datum laatste wijziging :29-07-2016
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verwante vensters
Extra
Verder studeren
  • PDF document Geyl, W. F. (1947), Wij en de wijkgedachte. Utrecht: Nederlands instituut voor volkshuisvesting en stedenbouw. (jaartal van publicatie is onduidelijk, afhankelijk van de bron 1946, 1947 of 1949. Wij houden het op 1947).
  • PDF document Karin Sok, Annette van den Bosch, Henna Goeptar, Ard Sprinkhuizen en Margot Scholte (2013), Samenwerken in de wijk. Actuele analyse van sociale wijkteams Utrecht: uitgave programma Sociaal werk in de buurt.
Literatuur
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste