1946 Joods Maatschappelijk Werk
De last van oorlog en vervolging
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Voor de Tweede Wereldoorlog had de joodse gemeenschap in Nederland een uitgebreid netwerk van sociale zorg, gebaseerd op de bijbelse plicht om leden van de gemeenschap te helpen die zichzelf niet kunnen redden. Van oudsher werd deze hulp als een plicht voor de gever en als een recht voor de ontvanger beschouwd. Daarvoor wordt het Hebreeuwse woord tsedaka ('rechtvaardigheid') gebruikt, wat een andere betekenis heeft dan het christelijke woord caritas ('naastenliefde'), dat een zekere spontaniteit of medeleven veronderstelt.
Joden zijn in Nederland pas sinds de Bataafse republiek (1795-1815) behandeld als gelijkberechtigde burgers. Daarvoor werden ze als vreemdelingen beschouwd. Sinds deze 'emancipatie van 1796' is de joodse gemeenschap in Nederland langzaam maar zeker beïnvloed door de niet-joodse omgeving. Dat uitte zich onder andere in een veranderde opvatting over de sociale zorgplicht. Deze werd meer en meer geïnterpreteerd als filantropie en kreeg daardoor een regentesk karakter. De na de emancipatie opgerichte joodse kerkgenootschappen stelden in 1825, in opdracht van koning Willem I, aparte armbesturen in die plaats boden aan joodse regenten met een filantropische instelling. De meeste sociale organisaties waren geliëerd aan de orthodoxe kerkgenootschappen die voor de oorlog een vrijwel absolute machtspositie hadden in het Nederlandse jodendom.

In 1940 telde Nederland rond de duizend joodse organisaties en verenigingen op sociaal gebied, van begrafenisverenigingen tot onderwijsinstellingen, van leenfondsen tot ziekenhuizen (waaronder het in die tijd modernste 'krankzinnigengesticht' van Nederland: Het Apeldoornsche Bosch) en van sportverenigingen tot maatschappelijk werk. Tijdens de Duitse bezetting werden deze op last van de bezetter opgeheven en vervangen door de Joodse Raad.

Na de oorlog bestond de noodzaak zich te bezinnen over de toekomstige structuur van de joodse gemeenschap. Immers, niet alleen 75 procent van de joodse bevolking in Nederland was vermoord, ook de sociale infrastructuur was vernietigd. De in 1944 na de bevrijding van het Zuiden heropgerichte Joodse Coördinatie Commissie werd geleid door uitgesproken 'vernieuwers' als de zionisten Sal Kleerekoper en Bram de Jong. Het traditionele Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) was echter niet van plan zijn vooroorlogse machtspositie op te geven en heeft door zijn verzet de oprichting van Joods Maatschappelijk Werk (JMW), zoals de organisatie ging heten, jaren vertraagd. Pas toen het NIK een meerderheid in het bestuur van JMW kreeg, gaf het zijn verzet op en kon Joods Maatschappelijk Werk in 1946 van start.
De tegenwerking van onder andere het NIK leidde er toe dat JMW vooral een soort federatie werd die het werk van bestaande joodse organisaties coördineerde en slechts eigen activiteiten mocht ontplooien voorzover andere organisaties daarin niet voorzagen. Tot in de jaren tachtig overheerste in het bestuur van JMW een negentiende-eeuwse regentenmentaliteit. Pas sinds het einde van de jaren tachtig ontwikkelde het JMW zich tot de professionele “Zorgcoördinator van Joods Nederland”, met een breed aanbod van thuiszorg, vrijwilligerswerk en maatschappelijk werk tot sociaal cultureel werk.
Nog in 1992 deed niet minder dan 13,3 procent van de joden een beroep op het maatschappelijk werk, vergeleken met 3,2 procent van alle Nederlanders. De joden die hulp vroegen, waren ook relatief oud en hun contacten met de instelling duurden veel langer. Het gaat dan ook vaak om problemen waarvoor eigenlijk geen oplossing bestaat. Zelfs de tijd kan deze wonden moeilijk helen.

Samenstelling: Jos van der Lans. Dit venster is mede gebaseerd op een recensie van Manja Ressler van Isaac Lipschits' Tsedaka in NRC-Handelsblad van 28 maart 1997.

Datum laatste wijziging :15-05-2014
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Maarten van der Linde (2013), Basisboek Geschiedenis Sociaal Werk in Nederland Uitgeverij SWP, zie: pp. 194-198 (de vervolging tijdens WOII) en p. 216 over de oprichting van het JMW.
  • Externe link Lipschits, Isaac (1996), Tsedaka - Een halve eeuw Joods Maatschappelijk Werk in Nederland. Zutphen: Walburg Pers. 462 pagina's; ISBN 90 6011 972 X.
  • R.G. Fuks-Mansfeld en A. Sunier, (1997), Wie in tranen zaait... Geschiedenis van de joodse geestelijke gezondheidszorg in Nederland. Assen: Van Gorcum.
  • Elma Verheij (2005), Kind van de rekening. Het rechtsherstel van de joodse oorlogswezen. Amsterdam: de Bezige Bij.
Literatuur
  • J.C.H. Blom, R.G. Fuks-Mansfeld, I. Schöffer (red.) (1995), Geschiedenis van de joden in Nederland Amsterdam: Balans.
  • Dienke Hondius (1998), Terugkeer. Antisemitisme in Nederland ronde de bevrijding. Den Haag: Sdu Uitgevers. Herziene en uitgebreide versie.
  • Isaac Lipschits (2001), De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland. Amsterdam: Mets & Schilt.
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste