1894 Christelijke landbouwkolonie Het Hoogeland
Heropvoeding onder Gods hoede
eerste   vorige   volgende   laatste
De echo van de Franse Revolutie, met haar verlichtingsboodschap ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’, was gedurende de hele negentiende eeuw te horen. Niet alleen in positieve zin. Zeker in christelijke kringen was men beducht voor nieuwlichterij. Ronduit ongerust toonde de religieuze burgerij zich over de groeiende greep van de staat op het maatschappelijke leven. Dit uitte zich onder meer in 1854 in de weerstand tegen het wetsvoorstel van Thorbecke voor de Armenwet. Ook de latere schoolstrijd (1870-1920) kwam eruit voort. Niet de staat mocht de vorming van burgers bepalen, dat moesten geloofsgemeenschappen zelf doen. Zo legde de negentiende eeuw de basis voor de verzuiling van de Nederlandse samenleving.

De reveilbeweging (1815-1865) vormde hierin een belangrijke motor. De beweging verzette zich tegen het rationalisme van de verlichting en pleitte voor het aangaan van een persoonlijke, gevoelsmatige band met God. Daarvoor was evangelisatie noodzakelijk, niet alleen onder heidenen, maar juist ook in eigen kring van laaggeschoolde gelovigen: de ‘inwendige zending’ als drijfveer voor de ‘christelijke filantropie’. Zo ontstond onder christelijke elites een grote maatschappelijke betrokkenheid: armenzorg, strijd tegen alcoholisme, hulp aan verwaarloosde jeugd, prostituees en zwakzinnigen. Ottho Gerhard Heldring was daarin een leidende figuur.
Christelijke notabelen zetten ook steeds grotere vraagtekens bij het nut van de strafrechtelijke aanpak, die bedelaars en landlopers ‘opzond’ naar de Rijkswerkinrichtingen in Hoorn en Veenhuizen. In hun ogen werkte dit niet. De nazaten van de reveilbeweging zagen aan het einde van de negentiende eeuw Veenhuizen als een augiasstal: sterke drank werd er niet geweerd en vloeken niet bestraft. Zij lieten zich inspireren door het werk van de Duitse predikant graaf Friedrich von Bodelschwingh, die evangelisatie koppelde aan opvang van jeugdigen en landlopers in de vorm van arbeiderskoloniën.

In 1892 werd daartoe de Vereniging tot Christelijke Verpleging van bedelaars en landlopers opgericht (later gewijzigd in: Christelijke vereeniging tot stichting en instandhouding van Arbeidskolonies). Volgens initiatiefnemer J. van ’t Lindenhout, die in 1863 bij Nijmegen ook al de Weezeninrichting Neerbosch had gesticht, was het de bedoeling om ‘…bedelaars en landloopers in ene kolonie op onze nog niet ontgonnen heidevelden te plaatsen, te pogen hen onder Christelijke tucht te brengen door hen dagelijks het Woord Gods te doen horen, vervolgens die handwerken te laten uitvoeren, waarvoor zij geschikt zijn en vanuit de kolonie onder Christelijke leiding in het maatschappelijke leven terug te keren’. In 1894 kocht de vereniging voor f 7225,- in Beekbergen bij Apeldoorn een lap grond, waarop de eerste christelijke landbouwkolonie Het Hoogeland werd gevestigd.
Zwervers tussen de 24 en 50 jaar konden er worden opgenomen, in de beginjaren op vrijwillige basis, later in de twintigste eeuw ook als voorwaardelijk alternatief voor gevangenisstraf, waarbij de instellingen ook een reclasseringsfunctie uitoefenden. De gemiddelde bevolking van de kolonie bestond in de beginjaren uit 50 à 60 man, die er twee tot twaalf maanden verblijf hielden. Het doel was – in moderne termen – resocialisatie. Grappig genoeg een overtuiging die rechtstreeks teruggaat naar de verlichting: de mens is opvoedbaar en veranderbaar, zij het dat de initiatiefnemers van Het Hoogeland (en andere christelijke arbeiderskoloniën) deze heropvoeding alleen onder ‘Gods hoede’ verantwoord achtten. De christelijke koloniën waren minder massaal dan de Rijkswerkinrichtingen en daardoor als toevluchtsoord aantrekkelijker. In de eerste zes jaar meldden zich 3000 mensen voor Het Hoogeland, van wie er zo’n 600 konden worden geplaatst. Maar onder deze groep was, net als bij de Rijkswerkinrichtingen, de recidive groot.

Ook het Leger des Heils richtte in 1895 een kolonie in, op het landgoed de Groote Batelaar in Lunteren. Het aantal landbouwkoloniën – naast Veenhuizen – groeide uiteindelijk tot vijf in 1930, waarvan de vereniging Het Hoogeland er naast Beekbergen nog twee voor haar rekening nam: in Opende (Groningen) en Vries (Drenthe). Mede op basis van dergelijke koloniën ontwikkelde zich in de twintigste eeuw een stelsel van werkverschaffingsprojecten, sociale werkplaatsen en opvangvoorzieningen, waar mensen die in de marge terechtkwamen, geresocialiseerd konden worden. Aanvankelijk zelfvoorzienend en betaald door particuliere geldstromen, in de tweede helft van de twintigste eeuw steeds nadrukkelijker gefinancierd door de overheid.

Het Hoogeland in Beekbergen bestaat nog steeds. Het is, aldus de website, ‘een bijzonder tuincentrum met een sfeervolle winkel, een gezellig tuincafé en inspirerende modeltuinen. Het tuincentrum wordt onderhouden door cliënten van IrisZorg, instelling voor verslavingszorg en maatschappelijke opvang, waarbij Het Hoogeland als leerbedrijf functioneert. Het werk is voor deze cliënten een belangrijke vorm van arbeidstraining en zorgt voor perspectief.’ Dat is hedendaags taalgebruik voor wat de initiatiefnemers eind negentiende eeuw beoogden, zij het dat Gods zegen ergens in de twintigste eeuw de kolonie heeft verlaten. Professionele begeleiders zijn daarvoor in de plaats gekomen.

Publicatiedatum: maart 2012,
laatste wijziging: 29 september 2012.
Auteur: Jos van der Lans

Auteur(s): Jos van der Lans,
Verwante vensters
Extra De katholieken
Landbouwkolonie Het Hoogeland was een voorbeeld van protestants-christelijke bekommernis met de onderkant van de samenleving. In de steden creëerde de burgerij aan het einde van de negentiende eeuw voor ‘onbehuisden’ vooral algemene opvangvoorzieningen, soms ook wel stadskolonies genoemd. Opmerkelijk is dat er in dezelfde periode geen echt vergelijkbaar opvanginitiatief vanuit de katholieke zuil werd genomen. Er is geen katholieke landbouwkolonie gesticht. Waarschijnlijk waren de katholieken er in de tweede helft van de 19e vooral op gericht hun ‘emancipatie’ vorm te geven in verzuilde publieke voorzieningen op het terrein van het onderwijs en de gezondheidszorg om daarmee hun achterstand ten opzichte van de protestants-christelijke elite weg te werken. In dat programma pastte kennelijk geen katholieke landbouwkolonie.
Dat wil overigens niet zeggen dat katholieken niets deden. Hun opvanginitiatieven bewogen zich eerder op een wat kleinere -en individuelere schaal. In meerdere steden stonden zij in de 19e eeuw aan de wieg van Godshuizen en Oudemannen- en vrouwenhuizen. Vooral congregaties namen het voortouw. Zo bracht de Commission des Hospices in Den Bosch rond 1815 verlaten kinderen onder bij particulieren. Uit dit initiatief ontstond in 1820 de congregatie van de Dochters van Maria en Joseph, een kleine twintig jaar later gevolgd door een Maastrichtse tak. De zusters Augustinessen bijvoorbeeld richtten in de jaren dertig van de twintigste eeuw Meissestad Utrecht op, opvang van dakloze vrouwen, nu onderdeel van de Tussenvoorziening. Na de Tweede Wereldoorlog volgden er meer katholieke opvanginitiatieven aan, zoals het in 1946 opgerichte Labre-huis in Eindhoven, een initiatief van de paters Augustijnen.
Verder studeren
  • Linde, Maarten van der (2010), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, Hoofdstuk 8 en 9.
  • Sulman, Ad (2009), Het Hoogeland. Kolonie voor bedelaars en landloopers. Ee geschiedenis van Het Hoogeland te Beekbergen. Scafelaarreeks nr. 49, Barneveld, Koninklijke BDU Uitgevers B.V.
Literatuur
  • Dekkers, Frans (2006), Het kan iedereen overkomen. De geschiedenis van het Labrehuis Eindhoven: Stichting Thomas van Villanova.
Links
eerste   vorige   volgende   laatste