1903 Hulp voor Onbehuisden - het echtpaar Jonker
Stedelijke burgerij creëert algemene opvangvoorzieningen
eerste   vorige   volgende   laatste
In de loop van de negentiende eeuw richtte een groeiend aantal instellingen zich op de opvang van dak- en thuisloze mannen, vrouwen en kinderen. Sommige instellingen waren uitgesproken christelijk, zoals het Leger des Heils of Het Hoogeland, maar vanaf omstreeks 1900 nam ook het aantal voorzieningen toe dat werkte vanuit een algemene humanitaire doelstelling.

Nadat de steden als gevolg van de industrialisatie exponentieel waren gegroeid, werden daklozen omstreeks 1900 een gewoon verschijnsel in de grote steden. Velen overnachtten op straat, in een park, onder bruggen of op het politiebureau. Volkshotels, soep- en spijsuitdelingen en gaarkeukens bestonden al langer. Helene Mercier, een van de grondlegsters van het maatschappelijk werk, stichtte in 1887 een van de eerste moderne volksgaarkeukens: een voedzame maaltijd voor een paar cent. In datzelfde jaar werd ook het Leger des Heils actief in Nederland.

De oud-Leger des Heilssoldaat Tjitte Jonker (1866-1922) werd in 1897 directeur van Toevlucht voor Onbehuisden, aan de Zwanenburgerstraat in Amsterdam. In een vroegere diamantslijperij waren daar een goedkope gaarkeuken en een logement ingericht. Jonkers tomeloze inzet werd bekend en de politie steunde zijn werk.

In 1903 richtte hij samen met zijn vrouw Jannetta Cornelia Clauzer (1872-1921) de vereniging Hulp voor Onbehuisden (HVO) op. Het echtpaar kreeg steun van de gegoede burgerij. Louis Blankenberg, de motor achter de bekende vereniging Liefdadigheid naar Vermogen, werd bestuurslid.

Voor de moderne armenzorg waren de daklozen een moeilijk te bereiken groep. Om een maximaal draagvlak onder de burgerij te creëren, werd HVO opgezet als vereniging. Deze opzet werkte: binnen korte tijd waren er al honderden leden; in 1908 bedroeg de opbrengst van contributies, legaten en giften 36.000 gulden (koopkracht 2012 circa 386.000 euro).

De Jonkers organiseerden de hulpverlening aan daklozen op een voor die tijd professionele manier. Geen liefdadigheid door vrijwilligers en kerk, maar maatschappelijke opvang als betaald werk. Zij boden nachtopvang zonder dat daarvoor betaald hoefde te worden, zoals bij het Leger des Heils. HVO werd opgericht als een algemene instelling en daarmee keerden de Jonkers zich tegen het verzuilingsmodel, een trend die ook in andere grote steden, zoals Den Haag, zichtbaar werd. Bekende Amsterdammers namen plaats in het bestuur en het was belangrijk dat verschillende godsdienstige richtingen daarin waren vertegenwoordigd: Nederlands-hervormd, doopsgezind, rooms-katholiek en joods. Via de bestuursleden was HVO verbonden met onder andere de School voor Maatschappelijk Werk, de vereniging Ons Huis, de Vincentiusvereniging, Liefdadigheid naar Vermogen en de Portugees-Israëlitische gemeente.

Met dit grote netwerk achter zich kreeg Jonker gehoor bij het stadsbestuur en de bestuurders van de stedelijke armenzorg. Voor het symbolische bedrag van één gulden kon HVO het oude Buitengasthuis aan de Tweede Constantijn Huygensstraat huren. Dit was met de komst van het Wilhelminagasthuis leeg komen te staan. Het was in vervallen staat en HVO moest zelf sponsors vinden om het gebouw op te knappen – wat lukte.

HVO bood opvang voor de nacht, het nachtasiel. Er was ook de mogelijkheid van wonen in het internaat, gecombineerd met hulp bij het zoeken naar huisvesting en werk. Als tegenprestatie werkten de mannen dan in het werkbedrijf van HVO: het ophalen en sorteren van oud papier, kleren en lompen, meubelen, kruiken en flessen. Ook werden zij als uitzendkracht tewerkgesteld. In het vrouweninternaat werkten de vrouwen mee in de huishouding. Jonker breidde het werk uit met een Observatietehuis voor tachtig verwaarloosde jongens en met afzonderlijke voogdijinstellingen voor jongens en meisjes. HVO werd ook ingeschakeld in de reclassering en kinderbescherming.

In 1914 schreef Jonker, na een avondwandeling door de slaapzalen van het immense gebouw: ‘Daar liggen ze dan, moe van het zwerven door de straten van onze groote stad. Wat een verschil van leeftijd en, wanneer wij eens gingen onderzoeken, wat een verschil in afkomst. Enkele hunner gezichten vertellen zelfs dat zij afstammen van zeer gegoede families. Zwarte schapen van de kudde. Wat is toch den oorzaak van hun diepe val? Heeft het hun misschien aan leiding in hunne jeugd ontbroken of waren zij erfelijk met verschillende gebreken belast? Ziedaar vragen, die zich elke dag aan mij opdringen. Wij kunnen heel lang denken over de oorzaken hunner ellende, maar dat verbetert hun toestand nu niet. Nu moet er gehandeld worden, want zij kunnen niet altijd blijven zwerven.’

Het initiatief van de Jonkers vond in een groot aantal steden navolging. In 1912 volgde bijvoorbeeld Den Haag met een Vereeniging Tehuis voor Onbehuisden en in Leeuwarden richtte men in 1925 de Vereeniging voor Praktische Werkverruiming en Hulpverleening op. De meeste van de voorzieningen die daar het gevolg van waren, bestaan nog steeds, zij het onder een andere naam. In Den Haag wordt het erfgoed beheerd door de Kessler-stichting, in Leeuwarden heette het lang Stichting De Terp, die nu onder de vlag vaart van Zienn. Het zijn nu grote professionele organisaties, die een combinatie bieden van opvang, woonbegeleiding en dagactiviteiten voor dak- en thuislozen, verslaafden, mensen met psychiatrische problemen en vrouwen en gezinnen in nood; jong en oud, mannen en vrouwen. Ze bieden net als in het begin van de twintigste eeuw het laatste vangnet, plekken voor mensen die nergens meer terechtkunnen.

Publicatiedatum: maart 2012,
laatste wijziging: 4 juni 2012.
Auteur: Maarten van der Linde

Auteur(s): Maarten van der Linde,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Linde, Maarten van der (2010), Basisboek geschiedenis sociaal werk in Nederland. Amsterdam: SWP, 4e druk, hoofdstuk 8.9. Maatschappelijke opvang van dak- en thuislozen, pp. 184-186.
  • Externe link HVO Querido (2010), Geschiedenis HVO-Querido in tijdvakken
  • Bakker, C.Th., e.a., (2011), Opvang en zorg onder één dak, HVO-Querido Amsterdam 1969-2009, Zutphen: Walburg Pers.
Literatuur
  • Rigter, D.P. (1990), Eene dringende noodzakelijkheid. Geschiedenis van de vereniging 'Hulp voor onbehuisden', 1904-1945. Amsterdam: Stadsuitgeverij.
  • Rigter, D.P. (1992), In het spoor van Jonker. Geschiedenis van de vereniging 'Hulp voor Onbehuisden', 1945-1974. Amsterdam: Stadsuitgeverij.
  • Linde, Irene van der (1993), Stoute jongens: van boefjes tot pupillen. Een geschiedenis van het Observatiehuis van de Vereniging 'Hulp voor Onbehuisden', 1914-1970. Amsterdam: Stadsuitgeverij.
  • Linde, Irene van der, Désirée Schyns (1994), Vertrapte bloemen. Een geschiedenis van het tehuis voor vrouwen van de vereniging 'Hulp voor Onbehuisden',1904-1980. Amsterdam: Stadsuitgeverij.
  • Penninga, Fred (2009), Dit is uit hun leven een greep. Van bedeling naar zorgtoewijzing: de overgangsontwikkeling in de Utrechtse Maatschapppelijke Opvang. Utrecht: Centrum Vaartserijn.
  • Rattink, Corien (2001), Practische Hulp, een vereeniging met een zoo schoone sociale taak. Van Pracrische Hulp naar De Terp 1925-2001. Leeuwarden: Stichting Maatschappelijke Opvang De Terp.
  • Externe link Kroon, Andréa A., en Audrey Wagtberg Hansen (2012), Kessler Stichting. 100 jaar thuis in Den Haag. Ontwikkelingen in de opvang en begeleiding van dak- en thuislozen. Den Haag: de nieuwe Haagsche / Kessler. ISBN 978-94-91168-35-2
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Bewegende beelden


HVO-Querido 100 jaar - video-impressie - 2004

eerste   vorige   volgende   laatste