1854 Thorbecke en de Armenwet
Politieke strijd over armenzorg: publiek of particulier?
eerste   vorige   volgende   laatste
‘Heeft de armenzorg opgehouden een algemeen, een publiek belang te zijn?’ Deze teleurgestelde woorden werden in 1854 uitgesproken door de grondlegger van onze parlementaire democratie, de liberaal J.R. Thorbecke, bij de Kamerbehandeling van een wetsvoorstel voor de armenzorg. Thorbecke vond dat ‘een beschaafde staat […] verpligt’ was zelf voor zijn armen te zorgen.
Armenzorg en maatschappelijke opvang zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Armoede is van oudsher een groot maatschappelijk probleem; niet alleen voor de armen zelf, ook voor de rijken, vanwege de angst voor oproer. Rond 1850 was deze vrees reëler dan ooit. Europa brandde nog na van de revolutionaire geest van 1848. Weliswaar krabbelde Nederland uit een diep economisch dal, maar tussen de 10 en 15 procent van de bevolking ontving nog altijd bedeling. Een derde van de Amsterdammers leefde beneden de armoedegrens. Dakloosheid en honger lagen op de loer.
Hoe overleeft men in zo’n situatie? Wie kon, zocht hulp in het eigen (familie)netwerk. Sommigen gingen over tot bedelarij of minder fatsoenlijke bezigheden, zoals stelen en prostitutie. Vooral ouderen en invaliden wendden zich echter tot de (veelal kerkelijke) armenzorg. Met behulp van bedeling probeerden zij opname in een liefdegesticht zo lang mogelijk uit te stellen. Om te worden toegelaten tot de armenzorg, moesten ze wel voldoen aan strenge eisen op het gebied van zedelijkheid en godsdienstzin. Wie dat niet kon of wilde, wachtte de straat of het publieke armenhuis.

Thorbecke begreep de noden van zijn tijd. In de Grondwet van 1848 had hij een passage opgenomen die voorzag in een armenwet. Hij wilde een einde maken aan de willekeur en het paternalisme van de kerkelijke armenzorg. Armenzorg moest centraal worden geregeld.
Deze gedachte was niet nieuw. Eerdere pogingen om tot een landelijke regeling te komen, stuitten echter op verzet van de kerken en op een lege schatkist. Maar toen in 1848 overal in Europa revolutie dreigde, leek de tijd rijp voor een nieuwe stap. Thorbeckes plan was in 1851 klaar.

Toen viel zijn kabinet. De nieuwe, door conservatieve christelijke politici gedomineerde regering onder leiding van F.A. van Hall haalde een streep door het plan. Armenzorg was een zaak van de kerken en dat moest zo blijven, vonden de nieuwe machthebbers. Onder het motto ‘[n]iemand heeft recht op onderstand’ kwamen zij in 1853 met een nieuw wetsvoorstel: ‘De uitoefening van de liefdadigheid moet worden overgelaten aan de Kerk…’ De overheid, c.q. de gemeente, mocht pas ingrijpen als ‘de arme van geen andere zijde geholpen’ werd.
Ondanks tegenstand van Thorbecke c.s. werd het voorstel aangenomen. De Armenwet van 1854 was een feit. De overheid kreeg niets over de armenzorg te zeggen. Uitzondering werd gemaakt voor armlastige besmettelijk zieken en krankzinnigen. Hun verpleging werd namelijk beschouwd als een kwestie van openbare orde, en evenals voor de politie was de betaling hiervoor wel een publieke zaak.
Burgerlijke armbesturen mochten dus alleen bijspringen als de kerken tekortschoten. In de praktijk gebeurde dit steeds vaker: naarmate de jaren verstreken, moesten de gemeenten een steeds groter deel bijpassen. De regeling had wel een lange levensduur. Ondanks aanpassingen (in 1870, 1912 en 1929) bleef de inhoud van kracht tot de invoering van de Bijstandswet (1965).
De Armenwet verleende dus (in theorie) voorrang aan de particuliere armenzorg. Opmerkelijk is dat in de loop der decennia de motivatie daarvoor werd omgedraaid: alsof de (liberale) overheid het liet afweten en de (kerkelijke) liefdadigheid in het gat sprong. Dit beeld is – ten onrechte dus – in het historisch bewustzijn verankerd geraakt.

Publicatiedatum: maart 2012,
laatste wijziging: 4 juni 2012.
Auteur: Catharina Th. Bakker

Auteur(s): Catharina Th. Bakker,
Extra Bedeling en armenhuis
De negentiende-eeuwse armenzorg bestond – in hedendaagse termen - uit ‘intramurale’ en ‘extramurale’ hulp. Armen die thuis woonden (‘huiszittende armen’), konden ‘extramurale’ hulp krijgen in de vorm van bedeling (geld, voedsel, brandstoffen en hulp van de armendokter). De Dienst Werk en Inkomen is hiervan een nazaat. In de ‘intramurale’ armenzorg voor mensen die geen huis (meer) hadden herkennen wij ondermeer de hedendaagse daklozenopvang, jeugdinternaten en verpleeghuizen.
Het armenhuis, weeshuis, oudeliedengesticht of hoe zo’n liefdegesticht ook heette, werd beschouwd als laatste redmiddel. Er heerste een regime van orde en tucht, afgedwongen door welgestelde regenten en regentessen, die werden bijgestaan door religieuzen, of een binnenvader en binnenmoeder met oppassers (m/v). Anders dan je zou vermoeden, leefden de gestichtbewoners door elkaar. In weeshuizen woonden bijvoorbeeld kinderen samen met volwassenen (zwakbegaafde of invalide ‘wezen’), oudeliedengestichten werden bevolkt door hulpbehoevenden van diverse pluimage, onder wie ouderen. Mannen en vrouwen werden gescheiden.
Alleen wie tot het juiste kerkgenootschap behoorde én een braaf burger was, kwam voor hulp in aanmerking. Progressief-liberalen, zoals Thorbecke, verfoeiden deze willekeur. Desondanks stond het stelsel internationaal goed bekend.

Verder studeren
  • Linde, Maarten van der (2010), Basisboek geschiedenis sociaal werk in Nederland. Amsterdam: Uitgeverij SWP, vierde druk, 149-151: De armenzorg: wie is verantwoordelijk?
  • Leeuwen, Marco H.D. van (2000), De eenheidsstaat: onderlinges, armenzorg en commerciële verzekeraars 1800-1890. Zoeken naar zekerheid. Risico’s, preventie, verzekeringen en andere zekerheidsregelingen in Nederland 1500-2000. Deel II. Den Haag: Verbond van Verzekeraars, Amsterdam: NEHA. Pag. 239-248: Armenzorg.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste