1975 Atelier Sterrenberg
Kunst van mensen met een verstandelijke beperking
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Het eerste atelier voor beeldende kunst van mensen met een verstandelijke beperking werd geopend op 16 december 1975 in Sterrenberg te Huis ter Heide. In deze leefgemeenschap woonden in die tijd 460 cliënten en de ateliers waren onderdeel van de dagbesteding. De instelling was enkele jaren daarvoor gemoderniseerd en de naam was in 1973 gewijzigd van Johannes Stichting in Sterrenberg. Sinds 1998 is Sterrenberg onderdeel van zorginstelling Abrona. Organisator en pionier van deze ateliers was de 25-jarige beeldend kunstenaar Max Timmerman. Hij raakte gefascineerd door wat hij ‘de oorspronkelijke beeldende kunst van mensen met een verstandelijke handicap’ noemde.
Los van deze eerste ateliers begon beeldend kunstenaar Jo Vossen in 1977 op De Hoeve, een dagverblijf voor oudere mensen met verstandelijke beperkingen in Laren, met een zelfde soort atelier. Beide kunstenaars wilden met het beeldend kunstzinnig bezig zijn verstandelijk gehandicapte mensen een ‘Taal’ aanreiken, anders dan de verbale taal, om hun levenservaringen en - geschiedenissen te vertellen in beelden die zij zelf betekenis gaven.

Al snel volgde een expositie van twintig werken in de Foyer van het Singer Museum in Laren (1977) en werd de dichtbundel Ik spring van de vel gepresenteerd in het populaire televisieprogramma van Mies Bouwman (1981). Deze nieuwe vormen van kunst kregen aandacht in diverse tijdschriften. Het in de sector veelgelezen blad Klik publiceerde in 1985 een kleurenspecial ‘Kunst en Toneel’. Ook buiten de zorgsector was er belangstelling, waarbij Jan de Grauw van de Vereniging Creativiteits Ontwikkeling een stimulerende rol speelde. Landelijke dagbladen (De Telegraaf, de Volkskrant) besteedden aandacht aan ‘kunst in de zorg’.

Tentoonstellingen (1986 Van Reekum Museum, Apeldoorn, 1992 Singer Museum, Laren), uitvoeringen, publicaties en symposia over kunst in de gezondheidszorg leidden in de jaren tachtig en negentig tot een positieve beeldvorming van de artistieke uitdrukkingsvaardigheden van verstandelijk gehandicapte mensen. De pioniers van het eerste uur Timmerman en Vossen vormden een werkgroep om de ateliers grotere bekendheid te geven. Koert Dekker nam in 1991 in Rotterdam het initiatief voor Atelier Herenplaats (vanuit Pameijer), Timmerman opende in 2000 in Ermelo het zelfstandige atelier en galerie Leonardo da Vinci. Los van de gezondheidszorg, omdat daar bezuinigingen de ateliers in hun voortbestaan bedreigden. Het atelier van Jo Vossen werd later Kunstcentrum ‘Kijkoor’ in Eemnes (Sherpa Zorg).

In de eerste tien jaar van deze eeuw werd dit type ateliers het paradepaardje van zorginstellingen. Behalve dat cliënten de kans kregen hun talent te ontwikkelen, leverden de ateliers ook een zinvolle dagbesteding voor anderen op, bijvoorbeeld door te werken in de kunstwinkel. De ateliers/winkels/galeries bevonden zich ook steeds vaker in het centrum van steden, zodat het ‘gewone’ publiek kennis kon nemen van de kunst en kunstnijverheid van deze groep. Met daarnaast uiteraard het doel om een afzetmarkt te creëren.

Naast kunstateliers ontstonden theatergroepen voor mensen met een verstandelijke handicap en in mindere mate poëziewerkplaatsen. Theater Maatwerk, ook een initiatief van Koert Dekker vanuit Pameijer, was de eerste fulltime theaterwerkplaats in Nederland.
Deze activiteiten ontstonden in de meeste gevallen vanuit de kunstzinnige activiteiten van zorginstellingen in het kader van dagbesteding. Met de komst van het persoonsgebonden budget (pgb) in 1995 ontwikkelden ook particulieren (vaak beeldend kunstenaars of professionele theatermakers of dansers) een aanbod voor deze cliënten, evenals een handjevol Centra voor de Kunsten.

Na 2010 realiseerde men zich dat het bezig zijn met kunst (niet alleen beeldende kunst, maar ook theater, muziek, dans en poëzie) slechts door een kleine groep mensen met een (verstandelijke) handicap beoefend werd. Weliswaar waren er flink wat ateliers, maar daar werkte slechts een handjevol kunstenaars met een beperking. Kunstbeoefening als onderdeel van culturele ontwikkeling kreeg nauwelijks aandacht. Daarnaast was de drempel om aan kunst in het reguliere circuit te doen hoog, in materiële en immateriële zin. Het kunstcircuit leek het lastig te vinden om deze groep mensen van dienst te zijn en de zorg leek moeite te hebben de cliënten te stimuleren om buiten de deur dit soort activiteiten uit te voeren.

Het onderzoek Kunst Inclusief, dat in 2010 werd afgesloten met een gelijknamige publicatie, had als doel de sector van de amateurkunst te overtuigen van het nut en de zin van kunstbeoefening door deze groep mensen en bood daar ook methodische handvatten voor. Daarnaast werden er adviezen geformuleerd waarmee de (gesubsidieerde) Centra voor de Kunsten meer toegankelijk konden worden voor mensen met een handicap. Dat gaf ook een impuls aan de ateliers, die zich meer serieus genomen voelden en een platform kregen voor uitwisseling van ervaringen.

Met de komst van de Wmo in 2007, de bezuinigingen in de zorg en de onttakeling van de AWBZ is de toekomst van veel ateliers onzeker geworden. Of dit ook betekent dat de doelstellingen van Kunst Inclusief, namelijk deelname aan kunst door alle mensen met een handicap, bij voorkeur in het reguliere circuit, in de ijskast zijn gezet, is vooralsnog onduidelijk.

Publicatiedatum: 01-09-2012
Datum laatste wijziging :06-12-2016
Auteur(s): Koert Dekker, Max Timmerman, Klaaske de Vos,
Verwante vensters
Extra Internationale achtergronden
De belangstelling voor deze kunst heeft ook een internationale achtergrond die teruggaat naar het begin van de twintigste eeuw. Onder psychiaters ontstond toen belangstelling voor het beeldende werk van psychiatrische mensen. Hans Prinzhorn (1886-1933), Duits psychiater en kunsthistoricus, legde een grote collectie tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerk van psychiatrische patiënten aan. In 1922 verscheen zijn eerste invloedrijke overzicht, Bildnerei der Geisteskranken, rijk geïllustreerd met afbeeldingen uit zijn collectie. Daarmee overtuigde hij ook anderen van de kunstzinnige waarde van die kunstwerken. Kunstenaars van het surrealisme vonden inspiratie in de werken van psychiatrische patiënten, waarin zij de angsten, hallucinaties en fixaties uit het onderbewuste herkenden.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond grote belangstelling voor pure kunstuitingen: authentiek, niet door de cultuur gevormd of vervormd. Tekeningen van kinderen werden verzameld en bewonderd, evenals het werk van verstandelijk gehandicapten. Ook kunstenaars van de Cobra-groep in Nederland werden geïnspireerd door het werk van verstandelijk gehandicapten. Na de jaren zestig nam die belangstelling voor hallucinerende en pure kunst toe. Toen raakte de term outsider art in zwang, die in 1972 werd geïntroduceerd door de kunstcriticus Roger Cardinal, hoogleraar Visual Arts aan de Universiteit van Kent. Met deze term duidde hij kunstenaars aan die niet beïnvloed werden door stromingen of stijlen, maar die hun vormen en thema’s kozen op grond van hun eigen fascinatie daarvoor. Er ontstonden musea voor outsider art in Amerika en Europa. Zij verzamelden kunstwerken van psychiatrische mensen en verstandelijk gehandicapten, maar ook werk van autodidacten, die in een naïeve stijl werken (zondagsschilders).

In 1981 richtte de Oostenrijkse psychiater Leo Navratil (1921-2006) in Gugging Das Haus der Künstler op, een atelier en later ook galerie waar kunstenaars met een psychiatrische stoornis hun beeldend talent konden ontwikkelen. Hier werd het kunstenaarschap beschouwd als een beroepsmatige bezigheid. Dat werd uitgedrukt door het feit dat de kunstwerken een economische waarde kregen en verkocht werden.
Jean Kennedy Smith (1928), zuster van president John F. Kennedy, richtte in Amerika in 1974 Very Special Arts (VSA) op als internationale organisatie om de aandacht voor kunst en handicap te bevorderen. VSA Nederland werd in 1984 opgericht en organiseerde jaarlijkse festivals. De rondreizende tentoonstelling ‘Het Gezicht/The Face’ (1992-1994) trok veel belangstelling met als gevolg dat een succesvolle kunstuitleen werd opgezet. Na een fusie werd de nieuwe naam in 2008: Stichting Special Arts Nederland.
Verder studeren
  • Wilken, J.P. e.a. (2010), Kunst Inclusief. Kansen in de kunst. Kunst door mensen met speciale wensen.  Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum Sociale Innovatie. ISBN 978-90-8928-036-7
  • Kieboom, A. van den e.a. (2010), Podiumkunsten voor en door mensen met een handicap. Utrecht: Kunstfactor, landelijk sectorinstituut amateurkunst. ISBN 978-90-8857-005-6
  • Max Timmerman (1994), Ik ben een artiest. Oorspronkelijke beeldende kunst van mensen met een verstandelijke handicap. Nijkerk: Uitgeverij Intro.
  • Max Timmerman (samenstelling) (1992), Catalogus Rondreizende tentoonstelling Het Gezicht. Uitgave van Very Special Arts Nederland, Doorn en E/S Productions Amsterdam.
  • Externe link Koert W. Dekker, Heleen Schoone (2007), Geraakt: theatermaken met acteurs met een verstandelijke beperking. Uitgave van Theater Maatwerk, Rotterdam.
  • PDF document Max Kläger (2003), Künstlerisches Tun als Lebenschance für intellektuell behinderte Kinder. Voordracht in 2003 bij de tentoonstelling van werken van Frederik Egold (1977-2005).
Literatuur
  • Berge, J. ten, e.a. (2010), Marginalia, perspectieven op de outsiderkunst. Zwolle: De Stadshof, museum voor naïeve en outsiderkunst. ISBN 90-75284-33-0.
  • Brand-Claussen, B, Stephan, E, (2003), Geheim schrift. De Prinzhorncollectie.  Gent: Museum Dr. Guislain.
  • Prinzhorn, Hans (2011), Bildnerei der Geisteskranken  Heidelberg: Springer. Eerste druk 1922. Zevende druk 2011.
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste