1952 Ouderverenigingen
Actieve ouders tussen behoudzucht en vernieuwingsdrang
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Ouders en verwanten hebben na de Tweede Wereldoorlog een grote invloed gehad op de ontwikkeling van de zorg en dienstverlening aan mensen met verstandelijke beperkingen. Vanuit een grote betrokkenheid en gedreven visie op het leven van hun kinderen vormden ze een steeds sterker wordende counterpart voor instellingen en overheden. Dat was nieuw. Tot die tijd hadden ouders nauwelijks enige inbreng. Hun kind was opgenomen in de inrichting en zij mochten hooguit op bezoek komen.

Het begon met de oprichting van Helpt Elkander (1952 neutraal), de eerste oudervereniging. Daarna volgden Philadelphia (1956, protestant) en Voor het zorgenkind (1957, katholiek). Doel van deze verenigingen was: samen sterker staan. Aanvankelijk ging het vooral om lotgenotencontact op levensbeschouwelijke grondslag: het delen van ervaringen met mensen met dezelfde achtergrond, namelijk het hebben van een kind met een verstandelijke beperking en het hebben van hetzelfde geloof. Maar al snel ontwikkelde men vormen van belangenbehartiging: samen streden ouders voor een betere zorg en een betere positie voor mensen met beperkingen. Al snel begonnen de verschillende ouderverenigingen samen te werken en in 1964 besloten ze om gezamenlijk naar buiten te treden als Federatie van Ouderverenigingen (FvO).

De ouderverenigingen behaalden de nodige successen voor mensen met verstandelijke beperkingen. In de loop van de jaren veroverden zij zo een positie waar zorgaanbieders en overheden niet meer omheen konden. Ze groeiden uit tot een machtsfactor en waren daardoor steeds beter in staat om voor hun kinderen een andere wereld af te dwingen. Een wereld waarin hun kinderen niet langer werden weggestopt, maar kansen kregen op een actieve deelname aan de samenleving.
De ouderverenigingen stonden aan de wieg van belangrijke voorzieningen. Daartoe namen ze in de jaren zeventig zelf het initiatief. Ze richtten voorzieningen op, waarbij ouders in het bestuur zitting namen. In de decennia die daarop volgden namen ze meer afstand en concentreerden ze zich meer op de kwaliteit van de zorg. Zij ontwikkelden in deze jaren een zeer invloedrijke visie op de zorg. Toen er door het persoonsgebonden budget (pgb) vanaf midden jaren negentig nieuwe mogelijkheden voorhanden kwamen, zijn groepen ouders opnieuw zelf kleinschalige voorzieningen gaan opzetten.
De rode draad in de geschiedenis van de ouderbeweging was echter altijd dat ouders uit onvrede over de zorg en ondersteuning voor hun kinderen zelf het heft in handen namen. Ze wilden betere en humanere zorg die door bestaande zorgaanbieders niet werd gerealiseerd. Ging het aanvankelijk om gezinsvervangende tehuizen en dagverblijven voor respectievelijk 24 en 48 mensen, later streefden de ouderverenigingen naar een nog meer op de individuele persoon toegespitste ondersteuning. Met succes: voor de zorg kwam er het persoonsgebonden budget (pgb), voor begeleiding op het werk jobcoaching en in het onderwijs kwam er leerlinggebonden financiering (het rugzakje).

Overigens was het niet alleen vernieuwingsdrang die de ouderbeweging kenmerkte. Altijd zijn er ouders geweest die juist niet wilden veranderen. Zij zagen weinig in kleinschalige voorzieningen in de samenleving en wilden juist het wonen in veilige, grootschalige instellingen behouden. Meerdere keren leidde dat tot een afsplitsing. Een aantal ouders vormde in de jaren tachtig een eigen organisatie rond internaten (WOI) en in het begin van de eenentwintigste eeuw keerde een aantal ouders zich opnieuw tegen de vernieuwingsplannen van de Federatie van Ouderverenigingen.
Van belang is bovendien dat de ouderverenigingen niet alleen ouders organiseerden; zij stonden ook aan de wieg van een aparte belangenvereniging van mensen met verstandelijke beperking. Op basis van het Zeelandse initiatief Onderling Sterk werd in 1995 met steun van de FvO de Landelijke Federatie van Belangenverenigingen (LFB) opgericht. Aanvankelijk opereerde deze onder de vleugels van de FvO, maar al snel gingen deze belangenbehartigers zelfstandig verder.

Anno 2014 lijkt een eind te zijn gekomen aan de bijzondere positie van ouders en verwanten van mensen met verstandelijke beperkingen als invloedrijke belangenbehartigers. De koepelorganisatie FvO is in 2007 failliet gegaan nadat de rijksfinanciering werd teruggedraaid en interne problemen de organisatie te veel werden. De opvolger, Platform VG, heeft nooit dezelfde positie kunnen verwerven en is op 1 januari 2014 gefuseerd met de CG-Raad, de organisatie van mensen met lichamelijke beperkingen en chronisch zieken. De op levensbeschouwelijke basis georganiseerde ouderverenigingen kregen te maken met bezuinigingen en zijn nu onderdeel van de 250 leden tellende koepelorganisatie Ieder(in). Wat de geschiedenis echter leert, is dat als de bezuinigingen op de zorg de kwaliteit van de zorg van hun kinderen gaan aantasten, ouders dit zeker niet over hun kant zullen laten gaan. Ze zullen steeds opnieuw hun stem verheffen.

Publicatiedatum: 01-09-2012
Datum laatste wijziging :27-10-2014
Auteur(s): Aart Bogerd, Aartjan ter Haar,
Venster door Aartjan ter Haar; Extra door Aart Bogerd
Verwante vensters
Extra Het rapport Mensen met mogelijkheden
In 1989 bracht de Federatie van Ouderverenigingen een rapport uit waarin niet het onvermogen van mensen met een verstandelijke beperking het uitgangspunt was, maar juist hun potenties. Zo heette de nota ook: Mensen met mogelijkheden. Dat juist de ouderbeweging met dit pleidooi kwam, was niet verwonderlijk. Ouders wisten als geen ander wat hun kinderen wel konden. Zij wilden af van het negatieve of zielige beeld dat de ideologische basis vormde van aparte, gesegregeerde zorgvoorzieningen.
Na het terugveroveren van een normaal leven (normalisatie) en het hameren op het erbij horen (integratie) wilden ouders nu dat hun kroost kon emanciperen. Daar hoorden nieuwe begrippen bij, zoals ‘burgerschap’ en ‘inclusie’. En woorden en uitdrukkingen als: ‘eigen keuze’, ‘autonomie’, ‘regie hebben over je eigen leven’. Niet langer moest de instelling het vertrekpunt in het denken over zorg en ondersteuning zijn, maar het functioneren in de samenleving.
Ouders namen daarbij zelf het voortouw. Zij eisten steeds vaker de regie op en kwamen daarbij ook voor zichzelf op. Zij huurden zelf woningen waarin ondersteuning geboden werd, er kwam respijtzorg om gezinnen met een gehandicapt kind te ontlasten, er kwam meer aandacht voor dagbesteding. Hun kinderen doken overdag op in winkeltjes, restaurants, bakkerijen en ateliers. Als logisch vervolg pleitten de ouderorganisaties in 1994 in de nota Gewoon Doen voor de introductie van het persoonsgebonden budget (pgb). Als organisaties tekortschoten, wilden ze zelf de zorg kunnen regelen. In 1996 werd het pgb ingevoerd.
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste