Sinds 1989 is Nederland bezig met wat we de wijkaanpak 3.0 kunnen noemen. Anders gezegd: de derde golf in het werken in wijken. De eerste golf ontstond na de Tweede Wereldoorlog, en werd toen aangeduid als de wijkgedachte. Het idee was om in een snel veranderende wereld van wijken stabiele en gezonde sociale gemeenschappen te maken, die als buffer zou kunnen fungeren tegen de gevaren van het moderne stedelijke leven (anonimiteit, zedenverwildering, zinnenprikkelend amusement). Deze eerste golf stierf een stille dood in de jaren vijftig, toen bleek dat de welvaart aan stedelingen een veel grotere actieradius gaf dan alleen hun wijk.
De tweede golf ontstond in de jaren zeventig met de noodzaak om het vooroorlogse woningbestand via stadsvernieuwing drastisch aan te pakken. Daarbij kon men niet om bewoners heen, die op alle mogelijke manieren in projectgroepen en via buurtcomités in de weer kwamen om hun belangen te laten meewegen. ‘Bouwen voor de buurt’ werd dat in veel steden genoemd. Het was de tijd dat het opbouwwerk glorieerde en bewoners veel wijkwelzijnsvoorzieningen wisten af te dwingen.
Maar de tweede golf kon niet voorkomen dat buurten van samenstelling veranderden. De oude homogene volkswijken kwamen onder druk te staan, de samenleving werd heterogener, en de buurten en wijken ook. De mindere en goedkopere wijken begonnen in snel tempo te verkleuren, moderne individuen leefden steeds meer op zichzelf en verknoopten zich met netwerken die zich juist steeds minder van buurten aantrokken.
Zo ontstond de derde golf in de wijkaanpak. Gingen de vorige golven nog uit van het in standhouden van een buurtgevoel, de derde golf richt zich juist op het organiseren en stimuleren van een wijkgevoel. Het gaat juist om het aanleggen van verbindingen (‘bridging’) tussen verschillende mensen en groepen. Om leefbare verhoudingen, om sociale samenhang, om sociale cohesie.
Het startsein lag in Rotterdam, waar eind jaren tachtig de term sociale vernieuwing werd gemunt, die vervolgens door het kabinet-Lubbers-Kok in 1989 tot nationaal motto werd verheven. Icoon van de sociale vernieuwing was het Opzoomeren, gezamenlijk de straat schoonmaken en schoonhouden, begonnen door bewoners in de Opzoomerstraat in de wijk Delfshaven.
Sindsdien de jaren negentig probeert men in de wijkaanpak economische, sociale en fysieke doelstellingen te combineren. Er loopt een rechte ontwikkelingslijn van de sociale vernieuwing met een kleine zestig aandachtwijken, via stedelijke vernieuwing (Paars I) en het grotestedenbeleid (Paars II) naar de veertig pracht- en krachtwijken die het kabinet Balkenende-Bos heeft geselecteerd. Er zijn tal van initiatieven en methodische aanpakken tot stand gebracht, zoals community care en de ABCD-aanpak. De wijk is daarmee de moderne landingsbaan (en vindplaats) van sociaal beleid en sociaal werk geworden, waar steeds meer gemeentediensten en instellingen zich op richten. Met alle wijkoverleggen en samenwerkingsproblemen vandien.
Opmerkelijk is dat woningcorporaties in dit geheel een steeds belangrijkere rol zijn gaan vervullen. Zij nemen steeds meer verantwoordelijkheid voor de sociale leefbaarheid van buurten en wijken en financieren ook steeds vaker bewonersinitiatieven. Zelfs in die mate dat iets van het oude woonmaatschappelijk werk, het werk van de woningopzichteressen, in de schoot van de corporaties lijkt terug te keren. Zij het in een modernere variant.