1974Carel Muller & Nieuw Dennendal De vermaatschappelijking van de abnormaliteit
Op 3 juli 1974 werd in de zwakzinnigeninrichting Dennendal van de Willem Arntsz-Stichting in Den Dolder het paviljoen Lorentz ontruimd, de medewerkers werden gearresteerd, honderden bezetters en sympathiserende ouders op straat gezet, de verstandelijk-gehandicapten met bussen naar de Rijks Psychiatrische Inrichting in Eindhoven afgevoerd. Premier Den Uyl sprak van 'een persoonlijke nederlaag'.
De affaire draaide om de vraag wat kon worden gedaan om verstandelijk gehandicapte mensen (toen nog zonder schroom als zwakzinnigen aangeduid) te bevrijden uit hun afzondering. De Dennendal-staf, onder leiding van Carel Muller, wilde een 'verdunningsexperiment', waarin verstandelijke gehandicapten te midden van andere burgers hun leven konden leiden. Ze waren er in feite al mee begonnen en daarbij geloofden ze zo onvoorwaardelijk in hun eigen gelijk dat ze iedereen die bedenkingen had, waaronder nogal wat ouders, tegen zich in het harnas joegen. Daardoor escaleerde het conflict zodanig, dat het uiteindelijk met harde hand een halt werd toegeroepen.
De affaire Dennendal speelde zich af in een roerig tijdsgewricht waarin alle oude intramurale zorginstituties onder kritiek kwamen te staan omdat ze mensen zouden ‘dehumaniseren’ en ‘hospitaliseren’ (zie ook Jan Foudraine: Wie is van hout?). Wie gek/zwakzinnig was, verdiende het niet om apart te worden gezet, maar diende juist in zijn eigenheid gewaardeerd te worden. Normaliseren werd het credo. Er ontstond zelfs een “Gekkenbeweging’, waarin gekken eerder geuzen waren dan schlemielen, en de strijd werd aangegaan met inhumane instituties die de emancipatie van deze bijzondere zielen in de weg stonden.
De impact van deze kritiek op de gevestigde zorgorde is enorm geweest. In vrijwel alle zorgsectoren is 'vermaatschappelijking' inmiddels uitgegroeid tot een sleutelwoord in het beleid. Grote instellingsterreinen, zoals Huize Assisië in het Brabantse Ulvenhout bijvoorbeeld, waar duizenden verstandelijk gehandicapten woonden, stroomden langzaam maar zeker leeg.
Mensen moeten, zo luidt tegenwoordig het officiële beleid, in principe en zo lang mogelijk ‘zelfstandig’ kunnen wonen. Het gaat om wat in vrijwel alle visiedocumenten van zorginstellingen voor ‘mensen met een gebrek’ (let op het steeds minder moreel geladen taalgebruik) om het bevorderen van ‘volwaardig burgerschap’. Dat is ‘leven in een samenleving waar mensen verbonden zijn met anderen, zoals familie, vrienden, kennissen, collega's. Zij maken deel uit van (en dragen op unieke wijze bij aan) de samenleving. Die samenleving verwelkomt verscheidenheid, respecteert verschillen en is er trots op dat alle mensen bij de samenleving betrokken zijn.’
Of de samenleving in alle gevallen deze zorgbehoevenden ook echt goed kan opvangen wordt wel eens betwist. De Twentse Zorgcentra kondigden in april 2007 aan dat zij een categorie ernstig verstandelijk gehandicapten liever op een rustig instellingsterrein zouden willen verzorgen (wat niet meer mocht) dan in de hectiek van de grote stad. Er barstte een stevige discussie los, die ongetwijfeld een vervolg zal krijgen.
Een mooi voorbeeld van vermaatschappelijking en van een nieuw particulier initiatief op dit terrein zijn de Thomashuizen, waarvan er inmiddels meer dan vijftig in Nederland zijn. De initiatiefnemer, Hans van Putten, had zelf een zoon met een verstandelijke beperking: Thomas. Uit onvrede met het reguliere aanbod bedacht hij in 2001 het concept Thomashuizen, kleinschalige woonvoorziening voor zes à acht mensen met een verstandelijke beperking. Elk huis wordt geleid door in principe twee zorgondernemers. Dit zijn meestal echtparen/partners die zelf ook bij het Thomashuis wonen. Zij zijn eindverantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning aan hun klanten. Het is de hedendaagse echo van wat Carel Muller in de jaren zeventig voor ogen moet hebben gehad.