1932Volkshogeschool Alllardsoog in Bakkeveen Opkomst en neergang van het vormingswerk in internaatsverband
De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen maakte aan het einde van de achttiende eeuw van ‘volksontwikkeling’ een belangrijk thema. In de loop van de negentiende eeuw werd dit ook langs verzuilde lijnen opgepakt. Vroege voorbeelden zijn de Vereniging Tot Heil des Volks (1855) en het Koning Willems Huis (1862). Niet toevallig beide gevestigd in de Jordaan. Voor de arbeidersbeweging werden scholing en ontwikkeling een must. Voor de socialisten was ‘verdieping van het klassenbewustzijn’ het doel; voor de christelijke organisaties stonden ‘verbreiding van het Evangelie’ en ‘verzoening tussen kapitaal en arbeid’ voorop. In latere jaren richtten beiden zich steeds meer op ‘gemeenschapsopvoeding’.
Een echte nieuwigheid was het volkshuiswerk dat in 1892 werd begonnen, als eerste ook al weer in de Jordaan. Een tweede vernieuwing was het vormings- en ontwikkelingswerk van de vrijzinnig-protestantse Woodbrookers. Zij ontleenden hun naam aan het vormingscentrum van de Quakers in Woodbrooke in Engeland. In deze kring propageerde Hermien van der Heide (1898-1944) in de jaren twintig als eerste het vormingswerk in internaatsverband dat zij had leren kennen in de Scandinavische landen. Daar bezocht zij de volkshogescholen die in het midden van de negentiende eeuw al door Grundtvig en Kold waren gesticht. Dit werk zou bekend worden als het volkshogeschoolwerk, niet te verwarren met de volksuniversiteiten die sinds 1913 lezingen organiseerden. De volksuniversiteiten richtten zich sterk op kennisoverdracht – in navolging van de Britse university extension beweging. Voor de volkshogescholen was dat niet genoeg: zij wilden de hele persoon aanspreken. Op het programma stonden ook zang, dans, voordrachtskunst en handenarbeid – ontdekken van eigen mogelijkheden – en gezamenlijke praktische arbeid in de moestuin. Het gezamenlijke verblijf van één, twee of meer weken maakte dat ook mogelijk.
In Nederland gaf de economische crisis van de jaren ’30 de stoot tot de oprichting van de Vereniging tot Stichting van Volkshogescholen. De eerste volkshogeschool werd gestart in Bakkeveen (1932), met cursussen voor jonge boeren, werklozen en studenten. Het streven van de vereniging was er op gericht om in elke provincie een volkshogeschool te krijgen. Dat streven werd gerealiseerd in 1968. Pioniers van het eerste uur waren Jarig van der Wielen (1880-1950), Henk van der Wielen (1903-1990), Hans de Vries Reilingh (1908-2001), Oscar Guermonprez (1912-1977) en Cees Stapel. Het volkshogeschoolwerk beleefde in de jaren 1960-1980 zijn grootste bloei, mede dank zij de royale subsidieregeling van de landelijke overheid.
De subsidielast voor de overheid was inmiddels enorm toegenomen, want naast de volkshogescholen bestonden er ook vormingscentra van protestants-christelijke, katholieke en religieus-socialistische huize. In enkele fusierondes (1985-1995) dwong de minister van WVC (nu VWS) al deze instellingen samen te gaan, van ruim veertig tot een stuk of twaalf. Overheidssubsidie was voortaan alleen nog beschikbaar voor specifieke groepen, zoals het kader van gehandicapten- en andere minderheden-organisaties. Tot 2008 functioneerde de VTA Groep (Vorming Training Advies Groep), als koepel-organisatie. VTA Instituten uit verschillende delen van het land gingen samen, zodat er nog grotere instellingen ontstonden met ver uiteen gelegen vestigingen.
De volkshogeschoolgedachte leeft voort in de Stichting voor Volkshogeschoolwerk in Nederland, die vormingsprojecten subsidieert, studie en publicaties initieert en de internationale contacten bevordert. Zij doet dat vanuit het streven naar ‘een samenleving, waarin méér solidariteit, méér democratie zal bestaan en waarin aan de emancipatie van achtergestelde bevolkingsgroepen wordt gewerkt.’