1908Nederlandse Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid De ontwikkeling van een landelijke welzijnsstructuur
De ontwikkeling van sociaal werk in Nederland is lange tijd een zaak van de verzuilde elites geweest. In feite hield de verlichte burgerij tot ver in de 20ste eeuw de nationale touwtjes in handen. Gemeenschappelijk was hun opvatting dat zorg voor armen een kwestie van particulier initiatief was, waar de staat weg van moest blijven. De uitvoerenden zelf speelden tot ver na de Tweede Wereldoorlog niet of nauwelijks een rol in de beleidsbeslissingen.
De nationale overlegstructuur van het particulier initiatief kreeg een krachtige impuls door de oprichting van de Nederlandse Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid op 16 november 1908 op initiatief van de redactie van het Tijdschrift voor armenzorg. De vereniging stelde zich tot doel de versnipperde armenzorg te verbeteren en daarover informatie uit te wisselen en met de regering en andere ‘besturende lichamen’ in overleg te treden. De vereniging begon met zo’n 500 leden waaronder 19 burgerlijke armbesturen, 39 diaconieën, 11 katholieke armbesturen en 37 particuliere armbesturen. Bij elkaar vormde dit overleg een belangrijke pressiegroep voor de ontwikkeling van sociale wetgeving.
Na de oorlog veranderde de vereniging van naam, en werd ze de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werk, NVMW. De Vereniging werd in 1956 omgevormd tot Nederlandse Raad voor Maatschappelijk Werk (later Welzijn) (NRMW), die uitgroeide tot een gezaghebbend overlegorgaan van welzijnskoepels in Nederland. Bekende leden waren de Joint (voor het maatschappelijk werk) , de FIOM (opvanghuizen), het Werkverband Integratie Jeugdwelzijnswerk (WIJN, jeugdhulpverlening) en Gamma (sociaal-cultureel werk. Toen de landelijke overheid in de jaren zeventig de financiering en de regie van het welzijnswerk steeds verder naar zich toetrok, kreeg de Raad steeds meer het nakijken.
De Knelpuntennota van 1974 kondigt dit ander tijdperk aan. De nota schetst een nieuw kader voor samenhang, toegankelijkheid, democratisch functioneren en rechtszekerheid van het welzijnswerk. Dat alles kan het beste op plaatselijk niveau en dicht bij burgers gerealiseerd worden, vond Wim Meijer, de toenmalige staatssecretaris van CRM. De welzijnskoepels lieten zich echter niet zomaar aan de kant zetten. Daarom zette de politiek in 1982 de commissie Herstructurering Landelijke Organisaties aan het werk. Toch duurde het nog tot 1989 voordat de subsidies aan zo’n 35 landelijke organisaties werden stopgezet. Daarvoor in de plaats trad het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW), met als taak de professionele werkontwikkeling te stimuleren en om te voorkomen dat men in alle gemeenten (die inmiddels het welzijnswerk onder hun hoede hebben gekregen) het wiel opnieuw gaat uitvinden.
De werkontwikkeling werd daarbij onderscheiden van de werkgeversfunctie, die in handen kwam van aparte werkgeversorganisaties, verenigd in de MO-Groep, waarbij de afkorting staat voor Maatschappelijk Onderneming. Gezamenlijk vormen ze een brancheorganisatie voor Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening, Jeugdzorg en Kinderopvang, met zo’n 1800 instellingen/organisaties als leden. Naast andere activiteiten is de MO-Groep, samen met de vakbonden uiteraard, vooral verantwoordelijk voor de CAO’s.
Vanaf 2007 is het NIZW opgesplitst in drie delen: het Nederlands Jeugdinstituut (NJi, gericht op jeugd en jeugdzorg), Vilans (voor de zorg) en MOvisie (voor het brede welzijnswerk). Bij MOvisie is ook het Centrum voor Beroepsontwikkeling ondergebracht. De gedachte is dat deze afzonderlijke organisaties herkenbaarder zijn voor de verschillende werksoorten en dus ook meer kunnen betekenen voor de ontwikkeling van de professionaliteit van de sociaal werker. Want merkwaardigerwijs is die niet altijd vanzelfsprekend wijzer geworden van alles wat er op landelijk niveau voor hem of haar werd uitgedacht.