1946 De wijkgedachte
Van gemeenschapszin naar sociale wijkteams
eerste   vorige   volgende   laatste

De naoorlogse wederopbouw en uitbreiding van steden was aanvankelijk gebaseerd op de wijkgedachte, die eerder het Verenigd Koninkrijk (de tuindorpen van Ebenezer Howard) en in de Verenigde Staten wortel had geschoten. Deze filosofie werd in 1946 helder verwoord door de klassiek geworden studie De stad der toekomst, de toekomst der stad. Een stedenbouwkundige en sociaal-culturele studie over de groeiende stadsgemeenschap. Het rapport werd geschreven door een al tijdens de oorlog ingestelde studiegroep onder leiding van ir. A. Bos, directeur van de Rotterdamse Dienst Volkshuisvesting. In het gebombardeerde Rotterdam was de urgentie om de verwoeste stad op te bouwen groot. De studiegroep baseerde haar visie op de stad op de wijkgedachte als panacee tegen de vervlakking en vervreemding van de grote stad. Een gepopulariseerde, fraai geïllustreerde en wijd verspreide versie van deze denkwijze verscheen een paar jaar later onder de titel 'Wij en de wijkgedachte', onder redactie van W.F. Geyl.
Het idee was om in een snel veranderende wereld van wijken stabiele en gezonde sociale gemeenschappen te maken, die als buffer zouden kunnen fungeren tegen de gevaren van het moderne stedelijke leven (anonimiteit, zedenverwildering, zinnenprikkelend amusement). Maar niet alleen dat: wijken zouden ook de plek moeten zijn waar de verschillende zuilen met elkaar zouden kunnen samenleven en betrokkenheid van burgers zou kunnen worden gerealiseerd.
Deze eerste gemeenschapsgolf stierf een stille dood in de late jaren vijftig, toen bleek dat de welvaart aan stedelingen een veel grotere actieradius gaf dan alleen hun wijk. De jonge socioloog Jacques van Doorn was een van de eersten die deze wijkgedachte ter discussie stelde. In 1955 schreef hij een essay ‘Wijk en stad: reële integratiekaders?’ waarin hij zich afvroeg hoe reëel het is om de wijk zo ongeveer los van de rest van de samenleving te zien.

De tweede golf ontstond in de jaren zeventig met de noodzaak om het vooroorlogse woningbestand via stadsvernieuwing drastisch aan te pakken. Het was de tijd van protest en een grote nadruk op welzijn, met daarbij horende voorzieningen. Dat leidde tot een planmatige aanpak van buurten, waarbij bewoners een belangrijke rol krijgen in alle mogelijke projectgroepen. ‘Bouwen voor de buurt’ werd dat in veel steden genoemd. Het was de tijd dat het opbouwwerk glorieerde en bewoners veel wijkwelzijnsvoorzieningen wisten af te dwingen.
Maar de tweede golf kon niet voorkomen dat buurten van samenstelling veranderden. De oude homogene volkswijken kwamen onder druk te staan, de samenleving werd heterogener, en daarmee buurten en wijken. De oude volkswijken begonnen in snel tempo te verkleuren, moderne individuen leefden steeds meer op zichzelf en verknoopten zich met netwerken die zich juist steeds minder van buurten aantrokken.

Zo ontstond de derde golf in de wijkaanpak. Waren de eerste twee golven vooral gericht op het instandhouden van een buurtgevoel, de derde golf richt zich juist op het totstandbrengen van een wijkgevoel, zij het dat dit nu vaker werd omschreven in termen van sociale cohesie en integratie. Het doel is juist verbindingen (‘bridging’) tussen verschillende mensen en groepen aan te leggen. Het startsein van de derde golf lag in Rotterdam, waar eind jaren tachtig de term sociale vernieuwing werd gemunt, die vervolgens door het kabinet-Lubbers-Kok in 1989 tot nationaal motto werd verheven. Icoon van de sociale vernieuwing was het Opzoomeren, gezamenlijk de straat schoonmaken en schoonhouden, begonnen door bewoners in de Opzoomerstraat in de wijk Delfshaven.
Sinds de jaren negentig is het steeds duidelijker geworden dat een wijk niet met een beperkt programma kan veranderen; economische, sociale en fysieke doelstellingen moeten gecombineerd worden. Vanuit deze gedachte loopt er een rechte ontwikkelingslijn van de sociale vernieuwing met een kleine zestig aandachtswijken, via stedelijke vernieuwing (Paars I) en het grotestedenbeleid (Paars II) naar de veertig krachtwijken die in 2007 door het vierde kabinet-Balkenende werden aangewezen en waar de toenmalige minister van Wonen, wijken en integratie, Ella Vogelaar, haar naam aan heeft verbonden. De ambities waren groot, maar de voornemens smoorden na 2010 in een wisseling van de politieke macht en het intreden van de financiële crisis. De miljoenen die in de veertig krachtwijken geïnvesteerd zouden worden verdampten zienderogen.

Wat uit de ervaringen van de wijkenaanpak overbleef was de overtuiging dat wijken het territorium vormen waar de verzorgingsstaat een nieuwe gedaante kan krijgen. Gebiedsgericht werken moet de remedie vormen tegen bureaucratische organisatievormen en moeizame verhoudingen tussen professionals onderling en tussen professionals en burgers. Alle ingrediënten die in de vernieuwing van het welzijnswerk (‘eropaf’, Welzijn Nieuwe Stijl) en de ontwikkelingen met betrekking tot de Wmo en de komende decentralisaties van de AWBZ en de Participatiewet komen samen in de formatie van sociale wijkteams, die in de wijken dichtbij burgers hun werk moeten gaan doen. Of dat allemaal succesvol zal zijn, en of deze nieuwe formaties van professionals de problemen met betrekking tot de decentralisaties zullen kunnen oplossen, valt te bezien. Feit is dat de wijkgedachte na een halve eeuw zich meer van professionals meester heeft gemaakt dan van burgers.

Publicatiedatum: 01-05-2007
Datum laatste wijziging :14-04-2014
Auteur(s): Jos van der Lans,
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste