1979 Hans Achterhuis - De markt van Welzijn en Geluk
Van softie tot frontprofessional
eerste   vorige   volgende   laatste

Horen maatschappelijk werkers aanvankelijk tot de betere standen, vanaf het einde van de jaren zeventig zakt hun maatschappelijk aanzien zienderogen. Door de economische crisis begin jaren tachtig raakt de euforie van de jaren zestig en zeventig uitgewerkt en in de ontnuchtering worden - onder aanvoering van columnisten als Jan Blokker - welzijnswerkers mikpunt van hoon, spot en flauwe grappen. ('Weet je hoe een welzijnswerker zelfmoord pleegt? Hij gooit zich van tien hoog in de groep.') Welzijnswerk wordt gelijkgesteld met wollig taalgebruik en professionals op geitenwollensokken.
Het zijn karikaturen die sindsdien een hardnekkig bestaan hebben gekregen. Na publicaties van Herman Vuijsje, Nieuwe Vrijgestelden, de opkomst van het spijkerpakkenproletariaat (1977), en vooral van Hans Achterhuis’ De markt van welzijn en geluk (1979) neemt de intellectuele en ideologische steun snel af. Welzijnswerkers verliezen definitief hun onschuld, want - aldus Achterhuis - het is niet de vraag die hun aanbod bepaalt, het is eerder andersom. Mensen worden door professionele werkers juist afhankelijk gemaakt en ontlopen daardoor hun eigen verantwoordelijkheid.
Het prototype van deze gedachtegang wordt eind jaren tachtig de hulpverlener Jacques (Sjakie) van Kooten in de films over de familie Flodder: een naïeve, in een Lelijk Eendje rondrijdende, sociaal werker die zich gemakkelijk een loer laat draaien. Een onvoorstelbare softie dus, die spreekwoordelijk wordt voor iedereen die zich kritisch wil tonen over het welzijnswerk.

De gevolgen van deze ideologische omslag zijn groot. Het professionele zelfbewustzijn daalt zienderogen en welzijnswerkers trekken zich steeds verder terug van de frontlinies van de samenleving. Bang als ze zijn om mensen van zich afhankelijk te maken, willen ze van hun hulpvragers eerst een bewijs van voldoende motivatie zien. In deze aangeslagen toestand vormen ze een makkelijke prooi voor voortdurende bezuinigingen. Een simpele verwijzing naar het softe en ineffectieve karakter van het werk is vaak voldoende om een nieuwe ronde reorganisaties en bezuinigingen op gang te brengen.
Het welzijnswerk heeft deze legitimatiecrisis proberen te ondervangen door net als andere sectoren het werk steeds meer te gaan meten. Dat bleek niet echt soelaas te bieden; het rendement van het werk is niet gemakkelijk in eenvoudige getallen weer te geven. Een ander gevolg is dat het welzijnswerk – dat in de jaren zeventig onder de beleidsmatige paraplu van welzijn een soort familiair geheel vormde - steeds verder uiteengevallen is in afzonderlijke disciplines waar niet altijd veel verband tussen bestaat. Ieder voor zich en het woord welzijnswerk voor niemand.
Onder de noemer sociaal werk lijkt sinds de eeuwwisseling een kleine kentering gaande. Er lijkt een nieuw soort sociale professional in de maak, die ook niet altijd meer door klassieke welzijnsorganisaties in dienst wordt genomen. Woningcorporaties nemen steeds vaker professionals in dienst die in feite oude vormen van welzijnswerk (opbouwwerk, sociaal cultureel werk, maatschappelijk werk) in de praktijk brengen. De voorzichtigheid die in het post-Achterhuis-tijdperk de werksoorten kwelde wordt steeds vaker achter zich gelaten. Discussies over bemoeizorg, outreachend werk, frontliniewerkers, en ‘de leefwereld als spreekkamer’ duiden op een groeiende behoefte aan een nieuw soort activerende professionaliteit.

De Wet Maatschappelijke Ondersteuning uit 2007 zou dit nieuwe denken over het welzijnswerk verder kunnen stimuleren. Feit is dat in de frontlinies van de samenleving altijd een behoefte zal zijn aan een type sociaal werker die lange tijd onder de noemer welzijnswerker door het leven ging. Dat er straks wellicht een andere vlag op zijn organisatie hangt, en zijn functie anders wordt aangeduid, doet aan het belang ervan weinig af.

Auteur(s): Jos van der Lans,
Verder studeren
  • Externe link Hans Achterhuis (1979), De markt van welzijn en geluk. Tekst van het boek op de site van DBNL.nl
  • Jan Bijlsma en Hay Janssen (2008), Sociaal Werk in Nederland. Vijfhonderd jaar verheffen en verbinden. Bussum: Coutinho. Hoofdstuk 2, pp. 61-63.
  • Maarten van der Linde (2010), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, vierde druk. Hoofdstuk 11, pp. 240-242.
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste