1526 Juan Luis Vives
Armenzorg en de opkomst van het humanisme
eerste   vorige   volgende   laatste
Rondom 1500 bracht de welvaart van de steden ook een nieuwe kijk op mensen en het samenleven voort: het humanisme. Stedelijke elites kwamen losser te staan van de kerk en in plaats van God kwamen de mens en de menselijke vrijheid in het centrum van het denken te staan. De bekendste humanisten in de Nederlanden waren Desiderius Erasmus (1469-1536), Dirck Volkertszoon Coornhert (1522-1590) en Juan Luis Vives (1492-1540), die met zijn studie De subventione pauperum (1526) een nieuwe grondslag legde voor stedelijke sociale politiek.

Vives was afkomstig uit Spanje, maar na zijn studie in Parijs vestigde hij zich in Brugge en werd hij hoogleraar aan de universiteit van Leuven. In Brugge staat achter de Onze Lieve Vrouwkerk een beeld van hem. Vives schreef in het Latijn, maar in 1533 werd zijn studie in opdracht van de stad Ieper vertaald onder de titel Secours van den aermen. Hiermee werd zijn boek toegankelijk voor een brede lezerskring.
Vives pleitte ervoor om alle middelen voor armenbeleid te centraliseren bij de lokale overheid. Een idee dat Karel V overnam in zijn Edict van 1531, waarin hij stadsbesturen verplichtte tot het oprichten van een Gemene Beurs, een stedelijk financieel fonds voor armenzorg. Dat ging in tegen de heersende kerkelijke opvattingen, op basis waarvan sinds het Concilie van Tours (567) de armenzorg op parochieniveau werd georganiseerd. Zo ontstond voor het eerst spanning tussen het publieke en kerkelijke gezag over sociaal beleid naar aanleiding van de enorme toeloop van armen naar de steden.
Vives plaatste zich overigens met zijn denkbeelden niet buiten de kerk. Dat was toen ondenkbaar. Hij pleitte voor een veel efficiëntere en systematischere aanpak van de armenzorg, ondermeer door precies die groepen burgers te omschrijven die recht op steun verdienden. Criminelen moesten niet gestraft worden, maar geholpen worden om goede burgers te worden. Armen verdienden de steun van de lokale gemeenschap, maar slechts na onderzoek naar hun leefsituatie en leefstijl. Daklozen en zwervers tenslotte moesten verplicht worden hun naam te noemen en te verklaren waarom ze zwierven.

Volgens Vives kon armoede vermeden worden door iedereen in overeenstemming met hun mogelijkheden aan het werk te zetten. Wie geen vaardigheden had, moest scholing krijgen. En wie zich onterecht als ziek voordeed, moest streng gestraft worden. In zijn ogen was niemand werkonbekwaam; zelfs de blinden konden in eigen levensonderhoud voorzien door wol te spinnen of rieten mandjes te vlechten. Daarin stond hij overigens niet alleen. Ook religieuze hervormers als Luther en Calvijn waren voorstander van sociale hulp in de vorm van al dan niet hardhandige toeleiding tot de arbeidsmarkt.
Zo moesten de weeskinderen in het Antwerpse 'knechtjeshuis' (Paardenmarkt 94) onder meer assisteren bij begrafenissen en een vak leren (kleermaker, bakker, kousenmaker). Aardig is dat de huidige gebruiker van dit historische gebouw, het Stedelijk Centrum voor Volwassenenonderwijs – Nijverheidsschool, heel wel in deze traditie past. Het werk van Vives is niet alleen van grote invloed geweest op het denken over stedelijk armoedebeleid, maar reikt verder. In feite formuleert hij als eerste op een systematische wijze de principes die ten grondslag liggen aan een activerende verzorgingsstaat.

De (middel-)Nederlandse vertaling van De subventione pauperum uit 1533 is digitaal op te halen onderaan deze pagina.
In 2013 fuseren de katholieke hogescholen uit West Vlaanderen tot Vives.

Publicatiedatum: 15-07-2009
Datum laatste wijziging :01-11-2013
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
  • Maarten van der Linde (2010), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, vierde druk. Hoofdstuk 3. Humanistische hervormingen.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste