1968 Meten is weten
Verantwoording, effectiviteit of bureaucratie?
eerste   vorige   volgende   laatste

De twijfel die in de jaren zestig over de efficiëntie en effectiviteit van de sociale sector ontstaat is aanleiding tot initiatieven om prestaties en resultaten via registratie in beeld te brengen. In 1968 komt het ministerie van CRM uit ongenoegen met de lage transparantie van het sociaal werk met richtlijnen voor het jaarverslag en de registratie. Men wilde uniforme vergelijkbare gegevens ter onderbouwing van beleid. De sector is er niet gelukkig mee, en vroeg tijd om een eigen systeem te ontwikkelen. Helaas, 15 jaar later was er nog weinig resultaat.

Vanaf 1989 komt de sociale sector meer onder de gemeenten en neemt de landelijke overheid afstand. Via de Vereniging Nederlandse Gemeenten wordt een nieuwe poging gedaan om landelijk eenvormig de prestaties en resultaten van de sociale sector te tellen. Men hanteert daarvoor de zogenaamde Gemeentelijke Functionele Ontwerpen of GFO’s. Daarin worden via gegevenswoordenboeken afspraken gemaakt zodat decentraal informatiebeheer toch kan samengaan met eenheid van taal. In 1992 leidt dit tot de landelijke AMW registratiesystematiek, later ook voor sociaal cultureel werk, welzijn ouderen, maatschappelijke opvang en kinderopvang.

Parallel aan deze ontwikkelingen werken een aantal landelijke partijen samen in de Commissie Welzijnsinformatie (CWI). Die komen in 1993 met het rapport 'Weg van Babylon!' en hekelen de fragmentatie van het informatiebeheer in sociaal werk. Het CWI kent nadien vele opvolgers die dezelfde analyse maken en dezelfde oplossingen voorstellen en proberen uit te werken: in 1994 het platform Welzijnsinformatie (PWI), in 1996 wordt gewerkt aan een Landelijk Registratiecentrum Welzijnsondernemingen (LRWo), later het centrum voor bedrijfstakinformatie, en recenter het Servicepunt Welzijnsinformatie.
Aan het begin van de huidige eeuw worden de ambities opgevoerd. Men wil registratie koppelen aan gemeenschappelijke standaarden en methoden die het mogelijk maken om welzijnswerk te definiëren, te meten en op prestaties te waarderen. De initiatieven WILL (welzijn informatie landelijk en lokaal) en de variant TRILL (Transparante Resultaatgerichte Informatievoorziening Landelijk en Lokaal) zijn daarbij relevant, maar uiteindelijk wordt het flexibelere BCF (beleidsgestuurde contractfinanciering) frequenter toegepast.

Met registratie wil men in essentie twee doelstellingen bereiken. Enerzijds moet de transparantie van de sector verhoogd worden, moet duidelijk worden welke activiteiten voor welke burgers georganiseerd worden op basis van de publieke middelen die de sector krijgt. Daarom worden de gegevens regelmatig verwerkt tot overzichten, bijvoorbeeld de maatschappelijk dienstverlening monitor (MaDiMo). Anderzijds wil registratie de effectiviteit van hulpverlening aantonen, en bijdragen aan evidence based practice. Dat vraagt natuurlijk nogal wat, want dan moeten heel duidelijk probleemsituaties, interventies en bereikte effecten in beeld gebracht worden.

Er wordt veel kritiek geformuleerd op registratie in de sociale sector. Zo wordt gesteld dat de verzamelde gegevens van twijfelachtige kwaliteit zijn, en de tijd die nodig is voor registratie en andere bureaucratie tijd is die niet meer aan hulpverlening zelf besteed kan worden. Registratie zou ook leiden tot veel tellen, en weinig vertellen. Een cijfer verdoezelt de werkelijkheid eerder dan die te verduidelijken. Bovendien is het maar de vraag welke aspecten gemeten moeten worden om de werkzame component van sociaal werk in beeld te brengen. Is dat een bepaalde interventie, of zijn dat meer algemene kenmerken van de hulpverleningsrelatie, zoals betrokkenheid of empathie. Die wezenlijke vraag is uitgewerkt door Sjef de Vries in Wat werkt?.

Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste