Louis Beel was in 1952 de eerste minister van MW, hij bleef 7 dagen in functie Frans Jozef van Thiel (KVP), minister van MW 1952-1956
Marga Klompé was minister van MW 1956-1963, en van CRM 1966-1971 Johanna Schouwenaar-Franssen (VVD) was minister MW van 1963 tot 1965 Maarten Vrolijk (PvdA) was minister van CRM van 1965 tot 1966 Piet Engels (KVP) was CRM-minister van 1971 tot 1973 Harry van Doorn (PPR) was CRM-minister van 1973 tot 1977 Wim Meijer, PvdA, staatssecretaris CRM, 1973-1977 Til Gardeniers (CDA), CRM-minister 1977-1981 André van der Louw, CRM-minister van 1981-1982 Elco Brinkman (CDA), WVC-minister van 1982 tot 1989 Hedy d`Ancona (PvdA), WVC-minister 1989-1994 Erica Terpstra (VVD), staatssecretaris WVC 1994-1998 Margo Vliegenthart (PvdA), staatssecretaris WVC 1998-2002 Clemence Ross (CDA), staatssecretaris VWS 2002-2007 Jet Bussemaker (PvdA), staatssecretaris 2007 - februari 2010 Marlies Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, staatssecretaris oktober 2010 - oktober 2012 Martin van Rijn -  staatssecretaris sinds 2012.
1952 Ministerie van Maatschappelijk Werk
Van charitas naar professionele zorg
eerste   vorige   volgende   laatste

Tijdens de oorlog verscheen in Engeland in 1942 een zeer invloedrijk rapport van de hand van William Beveridge. Het is een pleidooi voor een zorgstelsel dat gebaseerd is op collectieve verzekeringen en sociale wetgeving. Op basis daarvan zette de Nederlandse regering in 1943 de commissie-Van Rhijn aan het werk, die een Nederlands stelsel van sociale zekerheid moest uitwerken. Dat vormde de grondslag voor de naoorlogse verzorgingsstaat die in Nederland door vier kabinetten onder leiding van Willem Drees (de eerste sociaaldemocratische premier) in de steigers werd gezet. Als minister van sociale zaken had Drees in 1947 al een Noodwet Ouderdomsvoorziening tot stand gebracht die in 1957 werd vervangen door de AOW, het pensioen voor iedereen. Dat leverde hem de koosnaam ‘vadertje Drees’ op en Nederland de uitdrukking ‘trekken van Drees’. (Zie kader hieronder)

Maar Nederland veranderde niet alleen, Nederland bleef ook verzuild. Vooral de katholieken wantrouwden de grote invloed van sociaaldemocraten op het ministerie van Sociale Zaken. Ze vreesden dat de staat het particuliere initiatief zou wegduwen. Om die reden claimde de KVP in de kabinetsformatie van 1952 het ministerie van Sociale Zaken, wat onaanvaardbaar was voor de PvdA.
Toen de formatie daarop vast dreigde te lopen haalde KVP-leider Beel een plan van stal dat een paar jaar eerder in katholieke kringen was bedacht: een apart ministerie voor Maatschappelijke Zorg. Dat werd door Drees vervolgens behoorlijk uitgekleed, maar op 1 september 1952 trad dan eindelijk het tweede kabinet-Drees aan met Louis Beel als vice-premier, als minister van Binnenlandse Zaken en als eerste minister van Maatschappelijk Werk. Hij zou de kortstzittende welzijnsminister worden: na zeven dagen meldde hij zich bij minister-president Drees met de constatering dat zijn liefde uitging naar het ministerie van BiZa en dat hij voor het ministerie van Maatschappelijk werk zijn Brabantse partijgenoot Frans Joseph van Thiel voordroeg. Drees was not amused over deze politieke tovertruc, maar stemde er uiteindelijk mee in.

Het ministerie van Maatschappelijk Werk was destijds uniek. Geen land ter wereld kende iets vergelijkbaars. Aanvankelijk stelde het ook niet zoveel voor. Het ministerie begon met één ambtenaar, één kamerbewaarder, en was gehuisvest in één kamer op het Binnenhof. De wetgeving bleef lange tijd beperkt. Van Thiel heeft – terugblikkend – wel eens gezegd dat hij van ‘de zak losse aardappelen’ geen ‘stamppot kon maken’. Dat veranderde met de komst van Marga Klompé, die in 1956 Van Thiel opvolgde en langzaam maar zeker het ministerie naar het hart van de verzorgingsstaat leidde. Met als meesterwerk de Algemene Bijstandswet uit 1965.

Het ministerie verandert meerdere keren van naam, waarbij elke naam iets zegt over de tijdgeest en de plek van sociaal werk in de samenleving. In 1965 werd het herdoopt tot ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), in 1982 tot Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) en in 1989 kreeg het de huidige naam ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Bij de laatste kabinetsformaties was het elke keer weer spannend of de titel ‘welzijn’ nog wel zal terugkeren in de naam. Tot nu staat de aanduiding er nog steeds in, zij het dat er tegenwoordig niet meer een minister maar een staatssecretaris voor verantwoordelijk is.

Publicatiedatum: 10-12-2007
Datum laatste wijziging :20-08-2013
Auteur(s): Jos van der Lans,
Extra Verzorgingsstaat in de steigers

Het ontstaan van het Ministerie van Maatschappelijk Werk past in de ontluikende verzorgingsstaat, zoals die door vier kabinetten-Drees in de steigers werd gezet. In 1952 ontving premier Drees een brief waarin een vrouw hem namens haar moeder bedankte voor de ouderdomsuitkering: 'Ik haalde dat elke maand voor haar op en dan was zij altijd zo gelukkig als ik het geld voor haar uittelde. Toen zij op sterven lag vroeg zij mij om die man te bedanken waar zij dat geld van had gehad.' Het Drees-archief bevat vele honderden van dergelijke briefjes.

Verder studeren
  • Maarten van der Linde (2010), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, vierde druk. Hoofdstuk 10.
  • Ido de Haan en Jan Willem Duyvendak (redactie) (2002), In het hart van de verzorgingsstaat. Het Ministerie van Maatschappelijk Werk en zijn opvolgers (CRM, WVC, VWS), 1952-2002 Hoofdstuk 1, pp. 23-33.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste