Jo Boer, directeur Stichting Opbouw Drenthe Gradus Hendriks, de pleitberzorger en stimulator van het opbouwwerk op het ministerie
Bram Peper, klassiek proefschrift over opbouwwerk in 191 Paul Kuypers, directeur PON Noord Brabant, welzijnsbeleidsdenker jaren 70 en 80 Piet Willems, opbouwwerker van het volk, Den Bosch Wil van de Leur, dynamisch directeur Landelijk Centrum Opbouwwerk Jan Willem Duyvendak, hoogleraar opbouwwerk 1996-2002 Talja Blokland, hoogleraar opbouwwerk 2002-2008
1925 Jaap Cramer - Stichting Opbouw Drenthe
De verbreiding van het opbouwwerk
eerste   vorige   volgende   laatste

Het opbouwwerk in Nederland start in Drenthe, waar de Commissaris van de Koningin in Drenthe, J. T. Linthorst Homan, in 1925 een Commissie voor de ‘Cultureelen en Economische Opbouw van Drenthe’ aan het werk zet, die met buurthuizen, kinderbewaarplaatsen en bibliotheken in de gebieden waar vroeger turf gestoken werd een beschavingsoffensief op gang moest brengen. Binnen tien jaar groeide dit uit tot een omvangrijk provinciaal opbouworgaan, de Stichting Opbouw Drenthe met Jaap Cramer als voortvarende directeur. Onder zijn leiding beheerde de Stichting Opbouw Drenthe voorzieningen, stuurde ze professionals aan en organiseerde ze vele vrijwilligers. Eigenlijk was dit de eerste bewuste overheidsinterventie om sociale en economische ontwikkelingen te combineren en te sturen.

Na de Tweede Wereldoorlog krijgt elke provincie een Provinciaal Opbouworgaan, dat zich –tegen de achtergrond van de wederopbouw en de gevreesde gevolgen van een snelle industrialisatie - bezig houdt met de planning van gemeenschapsvoorzieningen, studie naar onmaatschappelijkheid en het opzetten van professionele voorzieningen. Als uitvloeisel van de doorbraakgedachte presenteren de opbouworganen zich als een neutrale instantie, los van de zuilen. Inspiratiebronnen komen uit de Angelsaksische landen. Bijvoorbeeld het boek van de Canadees Murray Ross Community Organization uit 1955. In Nederland wordt die methode geïntroduceerd door Jo Boer, in Drenthe sinds 1951 opvolgster van Jaap Cramer (die Commissaris van de Koningin werd). In 1960 publiceert zij het standaardwerk Opbouwwerk-verkenningen op het gebied van ‘community organization in de Nederlandse verhoudingen.

In de jaren zeventig komt het onpartijdige, neutrale karakter van het opbouwwerk onder druk te staan. Het vak politiseert en opbouwwerkers verbinden zich meer en meer met ‘nieuwe sociale bewegingen’ als het feminisme, de milieubeweging en de kraakbeweging. De grootscheepse stadsvernieuwing die vanaf het midden van de jaren zeventig de vooroorlogse woningbouw aanpakt vormt het absolute hoogtepunt in de geschiedenis van het opbouwwerk. Opbouwwerkers zorgen er voor dat bewoners hun zegje kunnen doen en overal in het land worden grootscheepse sloopplannen omgezet in ‘bouwen voor de buurt’. Het tijdschrift Marge (1977 – 1986) wordt de spreekbuis van het progressieve opbouwwerk.

De rekening voor de periode van activistische politisering kwam vanaf de tweede helft van de jaren tachtig, toen opbouwwerkorganisaties grote klappen opliepen als gevolg van de bezuinigingen. In veel steden is de werksoort als afzonderlijke werksoort weggevaagd en ingevoegd in grote welzijnsorganisaties.
Landelijk werd de verdere werkontwikkeling ter hand genomen door het Landelijk Centrum Opbouwwerk, onder leiding van de energieke oud-opbouwwerker Wil van de Leur (┼ 2007). Zijn inspanningen hebben niet kunnen voorkomen dat de professionele vaardigheden van het opbouwwerk (het organiseren van bewoners, het bevorderen van participatie, het verbinden van bewoners met instituties) in toenemende mate door andere organisaties zijn overgenomen.
Zo is de basisgedachte van de tegenwoordige Vogelaar-aanpak, het aanspreken van de krachtbronnen van bewoners, typisch een kunstje waar het opbouwwerk van oudsher in geschoold is. Maar het gebeurt nu ook door woningcorporaties, door buurtregisseurs, door scholen, door losse projectmedewerkers, door organisatieadviesbureaus. Zo is er langzaam maar zeker rondom het opbouwwerk een paradoxale situatie gegroeid: er wordt steeds meer opbouwwerk gedaan door steeds minder opbouwwerkers. Of het daardoor ook beter gebeurt, professioneler en effectiever, is de vraag.


Extra Belangrijke namen in de geschiedenis van het Nederlandse opbouwwerk:
  • Jaap Cramer en Jo Boer (Stichting Opbouw Drenthe),
  • Gradus Hendriks en Louis van Tienen (opbouwwerkaanjagers op het ministerie van Maatschappelijk Werk in de jaren vijftig),
  • Paul Kuypers (directeur PON Noord-Brabant, jaren zestig en zeventig),
  • Piet Reckman (de Horst),
  • Piet Willems, initiator welzijnsproject Den Bosch),
  • Bram Peper (eerste kritische proefschrift over opbouwwerk in 1972),
  • Arie Besteman (probleem-porject-methode),
  • Wil van de Leur (Landelijk Centrum Opbouwwerk),
  • Harrie Broekman (Handboek Opbouwwerk),
  • Jan Willem Duyvendak en Talja Blokland (hoogleraren opbouwwerk).
Verder studeren
  • Marta Dozy (2008), 'Het is altijd het beroep van de toekomst geweest'- De beroepsontwikkeling van het opbouwwerk. Zutphen: Walburg Pers. Hoofdstuk 3 t/m 6.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   volgende   laatste