1846 Sint Aloysiusgesticht
Redden en opvoeden van verwaarloosde jeugd
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Vanouds werden weeskinderen door familieleden opgenomen. Als dat niet mogelijk was, sprong de parochie bij. De pastoor of de Heilige Geestmeesters plaatsten de wezen in een gasthuis of gezin. Vanaf een jaar of acht gingen ze werken en een vak leren. In 1492 stichtte de vermogende priester Evert Zoudenbalch (1423-1503) in Utrecht het eerste weeshuis. In de roerige zestiende eeuw met zijn perioden van economische malaise en burgeroorlog werden tientallen weeshuizen gesticht. Er waren tehuizen voor wezen van rijke of arme afkomst en ook verschillend naar geloofsrichting: gereformeerd, luthers, doopsgezind, remonstrant, joods, rooms-katholiek. Deze weeshuizen hebben honderden jaren gefunctioneerd. Vaak kregen ze pas in de jaren ’60 van de twintigste eeuw een andere bestemming, al of niet binnen de jeugdzorg.
Buiten de weeshuizen werd voor verwaarloosde, onverzorgde en zwervende kinderen weinig gedaan. Als ze in de criminaliteit belandden, werden ze streng gestraft. In de jaren ’30 van de negentiende eeuw kwam er nieuwe - pedagogisch gerichte - aandacht. Het Rauhe Haus, in 1833 gesticht even buiten Hamburg, was een inspirerend voorbeeld. De 25-jarige Johann Hinrich Wichern (1808-1881) woonde daar – als in een gezin – met een groep in de steek gelaten kinderen. De pupillen werden opgeleid voor vakken en ambachten. In Nederland werden met bewonderenswaardig initiatief en elan nieuwe instellingen opgericht. Pater Arnoldus Frentrop sj (1802-1865) had in 1846 de primeur met het Sint Aloysiusgesticht in Amsterdam. Hij begon met vijf jongens en het groeide snel. Nieuwe congregaties namen de zorg voor de (her)opvoeding van verwaarloosde jongens en meisjes op zich. Binnen de rooms-katholieke gemeenschap geen gebrek aan personeel!

De sociaal bewogen orthodoxe predikant Ottho Gerhard Heldring (1804-1876) was de stichter van instellingen die in aangepaste vorm nog altijd bestaan: Asyl Steenbeek in Zetten (1848) voor de opvang van jonge vrouwen die ongewenst zwanger waren. Drie jaar later volgde het ‘doorgangshuis’ voor jongens in Hoenderloo (1851). Zwerfjongeren kwamen daar bij schoolmeester Gangel in de kost, maar het werden er zo veel (dertig) dat er een speciaal huis aan de woning werd vastgebouwd. Het was de basis voor de huidige Hoenderloo Groep. In 1856 volgde in Zetten het huis Talitha Kumi (‘Meisje, sta op’) voor verwaarloosde meisjes beneden de 16 jaar en in 1863 Bethel voor ‘gevallen’ meisjes (prostituees) boven de 16 jaar. Nog altijd is de Ottho Gerhard Heldring Stichting in Zetten een gespecialiseerde instelling voor jeugdzorg.
De vrijzinnig protestantse Nutaanhangers bleven niet achter. De filantroop Willem Hendrik Suringar (1790-1872) bouwde in 1851 in Eefde ‘Nederlandsch Mettray’ als opvanghuis voor verwaarloosde jongens, tegenwoordig onderdeel van Rentray. Vele instellingen volgden zoals het Kinderdorp Neerbosch (1863), de Martha Stichting (1883) en Valkenheide (1912). Al deze instellingen vormden een wereld op zich met woonhuizen, scholen, ziekenhuis, kerk, leerbedrijven, landerijen en werkplaatsen. Ze werden gesteund en gefinancierd door particuliere weldoeners, fondsen, verenigin¬gen, leden en donateurs. Er verschenen boeken, tijdschriften en krantjes.

In de twintigste eeuw werd kinderbescherming een taak van de overheid. Er kwam wetgeving, het beroep professionaliseerde, weeshuizen en internaten werden behandelinstituten. De overheid werd financier en regisseur. Maar de vraag wat goede jeugdzorg is, blijft de sector bezighouden.

Publicatiedatum: 13-03-2009
Datum laatste wijziging :11-03-2016
Auteur(s): Maarten van der Linde,
Extra Protestants Landbouwkundig Opvoedingsgesticht Montfoort
Het eerste Nederlandse voorbeeld van Institutionele jeugdzorg van het type landbouwkolonie begon in 1847 in Montfort. Deze werd opgezet door de Utrechtse onderwijzer Dirk van Frankenhuijzen naar Duitse en Franse voorbeelden. De instelling groeide in korte tijd naar een ‘reddinghuis’ voor meer dan 150 verwaarloosde kinderen. Door heel Nederland werden er lokale afdelingen opgezet. Na het hoogtepunt in 1856 volgde echter een snelle neergang. In 1867 moest de kolonie zijn poorten sluiten. Lees hier het verhaal.
Verder studeren
  • Jan Bijlsma en Hay Janssen (2015), Sociaal werk in Nederland. Vijfhonderd jaar verheffen en verbinden. Derde, herziene druk. Hoofdstuk 4 (Van weeshuis tot Bureau Jeugdzorg).
  • Maarten van der Linde (2013), Basisboek Geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, vijfde druk. Hoofdstuk 6, Opvoeden, zorgen, redden, pp. 138-141.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste