Toen de 34-jarige Elco Brinkman in 1982 aantrad als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) was er een nieuw soort denken in de maak. Het neoliberalisme was in opkomst, de verzorgingsstaat was niet langer een zegen, maar een probleem. Mensen werden gepamperd ‘van de wieg tot het graf’ en de eigen verantwoordelijkheid werd daardoor belemmerd. De relatief onbekende Brinkman liet er geen gras over groeien. Hij verwees jarenlange wetgevingsarbeid van zijn voorgangers (de al aangenomen Kaderwet Specifiek Welzijn) als een erfenis van het oude denken naar de prullenbak.
Brinkman probeerde vervolgens het confessionele denken over zorgzaamheid en het moderne denken over de markt te combineren. Hij lanceerde de term ‘zorgzame samenleving’, waarin mensen meer voor elkaar zorgen en alleen in allerhoogste nood een beroep doen op de overheid. Deze opvatting leverde Brinkman veel hoongelach op van de progressieve elite die er een terugtocht naar de benauwde sociale controle van de jaren vijftig in zag. Dat heeft niet mogen baten. De centrale overheid trok zich metterdaad terug uit het welzijnswerk. Met de Welzijnswet van 1987 maakte Brinkman een einde aan vele Haagse welzijnssubsidieregelingen en gaf hij de regie in handen van de gemeenten. De welzijnskoepels riepen om het hardst dat de gemeenten er 'lantaarnpalen' van zouden gaan aanschaffen, maar de gemeenten pakten hun sociale verantwoordelijkheid over het algemeen voortvarend op. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning uit 2007, waarin delen uit de zorg worden gedecentraliseerd, is de volgende stap in deze door Brinkman ingezette vorm van decentralisatie.
Maar Brinkman kende nog een devies: ‘minder overheid, meer markt`. Dat werd in 1987 voor de gezondheidszorg uitgewerkt door een commissie onder leiding van de voormalige Philips-topman Wisse Dekker. Concurrentie tussen voorzieningen en keuzevrijheid voor burgers werden vanaf dat moment richtinggevende beleidswoorden. Het oude aanbodgestuurde subsidieregime moest stelselmatig worden vervangen door het op marktwerking gebaseerde ‘vraagsturing’. Het meest consequent uit zich dat in de groei van persoonsgebonden budgetten (pgb’s), waarvan het principe is dat de cliënt het geld krijgt en zijn eigen zorg kan inkopen.
Het gevolg van deze omslag in het denken is dat in steeds meer professionele instellingen een economische rationaliteit leidend werd voor de interne organisatie. Het ging om doelmatigheid en efficiency, om producten, productie en marktaandelen. Als gevolg daarvan is een nieuwe generatie managers/leidinggevenden/bestuurders aangetreden die deze logica tot perfectie brachten. De organisaties begonnen op grote schaal te fuseren en gemeenten zijn het werk gaan aanbesteden, waarbij zij zo’n hoog mogelijke kwaliteit wilden voor een zo goedkoop mogelijke prijs. Dat betekende dat alles steeds efficiënter en doelmatiger moet. Het opknippen van de thuiszorg in precieze tijdseenheden (‘stopwatchzorg’) is de meest bekende vorm van ‘taylorisering’ van een werksoort.
Na de eeuwwisseling groeit de kritiek hierop. De marktlogica is, zo constateren steeds meer mensen, een miskenning van de menselijke kant van het werk (‘de menselijke maat’). Bovendien heeft deze vorm van sturing geleid tot een schrikbarende toename van de verantwoordingsbureaucratie. Steeds meer hulp- en dienstverleningstijd gaat heen met het invoeren van gegevens. Wantrouwen (tussen financiers en uitvoerders, tussen overheid en organisaties, tussen cliënten en professionals) lijkt de dienst uit te maken. Oudere professionals betrappen zichzelf steeds vaker op nostalgisch gemijmer. De markt heeft niet het heil gebracht wat er van verwacht werd, maar de vraag is vervolgens: wat nu?